Belanghebbende, een Duitse GmbH, kreeg een naheffingsaanslag kansspelbelasting (KSB) opgelegd over 2013-2014 vanwege exploitatie van kansspelautomaten in Nederland. De inspecteur stelde dat belanghebbende belastingplichtig is als exploitant, wat door de rechtbank werd bevestigd. Belanghebbende voerde aan dat de KSB in strijd is met het Unierecht, omdat het vrije verkeer binnen de EU wordt belemmerd en er sprake is van dubbele heffing met btw. Ook stelde zij dat de KSB een individuele en buitensporige last vormt.
Het hof oordeelde dat de KSB geen btw-karakter heeft en dat de verhuur van automaten en het gelegenheid geven tot spelen aparte prestaties zijn. De KSB is niet in strijd met de Btw-richtlijn. Het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is niet van toepassing op de KSB omdat deze geen belasting naar winst of inkomen is. De KSB vormt geen individuele en buitensporige last voor belanghebbende, mede omdat zij rekening kon houden met de wetgeving en de KSB in rekening-courant met de VOF was geboekt.
Het verzoek om schadevergoeding wegens niet kunnen verhalen van de KSB op de VOF werd afgewezen. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.