Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2017 gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben zowel de Nederlandse als Turkse nationaliteit. De vrouw diende in september 2017 een verzoek tot echtscheiding in, waarna het huwelijk in 2019 werd ontbonden. Het geschil betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met name de bruidsschat, bruidsgiften en diverse schulden.
De man kwam in hoger beroep met drie grieven: over de bruidsschat en bruidsgiften, een schuld aan zijn vader en schulden van de vrouw aan haar vader en oom. Hij verzocht het hof om de beschikking van de rechtbank deels te vernietigen en de verdeling aan te passen. De vrouw verzocht bekrachtiging van de beschikking.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vrouw de sieraden (bruidsschat en bruidsgiften) in haar bezit had, waardoor zijn grief faalde. Ook was niet vastgesteld dat de man een lening van zijn vader had ontvangen, zodat deze schuld niet in de verdeling werd betrokken. Wel oordeelde het hof dat de vrouw onvoldoende bewijs had geleverd voor de schulden aan haar vader en oom, waardoor het verzoek van de vrouw met betrekking tot deze schulden werd afgewezen.
Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank voor zover deze de schulden van de vrouw betrof, bekrachtigde de rest van de beschikking, verklaarde deze uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de kosten van het hoger beroep, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt deels de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vrouw omtrent schulden af, bekrachtigt de rest en compenseert de proceskosten.