ECLI:NL:GHARL:2020:10353

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2020
Publicatiedatum
11 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.395/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 7:18 lid 4 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart

De betrokkene werd beboet voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder zichtbare geldige kaart. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof constateerde dat de officier van justitie niet tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder foto's van de overtreding, aan de gemachtigde van de betrokkene had verstrekt, wat een schending van de informatieplicht opleverde. Daarom werden de beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie vernietigd.

Desondanks oordeelde het hof dat de sanctie terecht aan de betrokkene als bestuurder was opgelegd. De ambtenaar had de betrokkene, die zich als bestuurder bekendmaakte tijdens het noteren van de overtreding, terecht als bestuurder aangemerkt. De sanctie werd daarom gehandhaafd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard en de boete van € 370,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.395/01
CJIB-nummer
: 202571351
Uitspraak d.d.
: 11 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene wijst er in hoger beroep onder meer op dat de foto’s van de
gedraging, in tegenstelling tot hetgeen in het verslag van het telefonisch horen is opgenomen, pas bij
brief van 2 oktober 2017 zijn verstrekt, terwijl deze stukken reeds in administratief beroep hadden
moeten worden ingebracht.
2. Het is vaste rechtspraak dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de fase van het administratief beroep op verzoek van de indiener van het beroepschrift gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In zaken als deze gaat het om het zaakoverzicht en (indien van toepassing) foto’s van de gedraging.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de fase van het administratief beroep de officier van justitie heeft verzocht om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken (waaronder ook de foto’s van de overtreding). Nu niet kan worden vastgesteld dat deze foto’s voorafgaand aan de beslissing op het administratief beroep aan de gemachtigde zijn verstrekt, is de informatieplicht geschonden.
4. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter ten onrechte de beslissing van de officier van justitie in stand gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen evenals, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.
5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicapten parkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 oktober 2016 om 17.09 uur op De Stoutheuvel in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
6. De gemachtigde voert aan dat de sanctie aan de kentekenhouder had moeten worden opgelegd en niet aan de betrokkene, aangezien de betrokkene niet als bestuurder is aan te merken. Uit het dossier blijkt niet dat zij heeft erkend de bestuurder van het voertuig te zijn. Bovendien is
niet aanstonds vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder van het voertuig was, zoals is vereist in artikel 5 van Pro de Wahv, aangezien de betrokkene een aantal minuten nadat de ambtenaar reeds was begonnen met de invoer van de gegevens op zijn handheld naar de ambtenaar kwam gelopen.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld.
8. In het dossier bevindt zich voorts een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 4 april 2017. Daarin is, voor zover relevant, het volgende verklaard:
“Na een aantal minuten waar te hebben genomen en geen activiteiten had waargenomen (het hof begrijpt: Na een aantal minuten te hebben waargenomen dat geen activiteiten werden verricht), ben ik begonnen een bon te tikken op mijn handheld. Ik zag een vrouw uit de aldaar gevestigde snackbar komen en ik hoorde haar zeggen: “ik kom er al aan”. Ik heb de vrouw gevraagd of zij de bestuurder was van het voornoemde voertuig. Hierop antwoordde de vrouw: “ja dat is mijn auto”. Ik heb de vrouw toen staande gehouden en gevraagd waarom zij op de gehandicaptenparkeerplaats stond. Hierop antwoordde ze: “er was geen parkeerplaats vrij en ik ben alleen even naar de snackbar, is het goed dat ik even terug loop dan kan ik mijn bestelling ophalen?”. De vrouw liep terug naar de snackbar nadat ze haar rijbewijs aan mij had gegeven.(…) Ik heb de aankondiging van beschikking verder geschreven (…) Nadat ik betrokkene de aankondiging van beschikking had uitgereikt is zij ingestapt en weggereden (…).”
9. Artikel 5 van Pro de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
10. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis van artikel 5 van Pro de Wahv af (vgl. het arrest van 11 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7976, ov. 11) dat indien bij een parkeerovertreding de identiteit van de bestuurder die het voertuig geparkeerd heeft aanstonds vast te stellen is, omdat zich een confrontatie tussen de ambtenaar en de bestuurder van het voertuig voordoet, de ambtenaar tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder dient over te gaan. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de ambtenaar - voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn, eventueel digitaal, heeft genoteerd (in eerdere jurisprudentie ook wel aangeduid als het moment vóór de oplegging van de sanctie) - geconfronteerd wordt met de persoon van wie hij vermoedt dat deze de bestuurder is geweest. Zodanig vermoeden kan bij de ambtenaar ontstaan doordat de persoon met wie hij geconfronteerd wordt stelt dat hij de bestuurder is geweest, maar ook doordat de ambtenaar, hoewel onverplicht, zelf onderzoek heeft verricht en tot dat vermoeden komt. Van de ambtenaar mag dan worden verlangd dat hij tot staandehouding overgaat en die persoon vraagt of hij de gedraging daadwerkelijk heeft verricht. Indien dit niet leidt tot de vaststelling dat de staande gehouden persoon de gedraging heeft verricht, kan de sanctie worden opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig (vgl. het arrest van 13 juni 2017, ECLI:GHARL:2017:4935).
11. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij werd aangesproken door de betrokkene terwijl hij (nog) bezig was met het noteren van de gegevens voor het vaststellen van de gedraging met het oog op de oplegging van de sanctie. Gelet op hetgeen de betrokkene vervolgens heeft geantwoord op de gestelde vragen, heeft de ambtenaar op goede gronden vastgesteld dat de betrokkene de bestuurder is van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als bestuurder opgelegd.
12. Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.