Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de erkenning van een minderjarig kind, waarbij de verwekker het verzoek indient tot vernietiging van de erkenning door een ander en om vervangende toestemming voor erkenning. Het hof bevestigt dat de verwekker op grond van artikel 1:205 BW Pro geen zelfstandige rechtsingang heeft om een erkenning door een ander te vernietigen indien hij zelf geen gebruik heeft gemaakt van zijn erkenningsmogelijkheid.
Feiten tonen aan dat de verwekker gedurende de zwangerschap en na de geboorte van het kind de mogelijkheid had om het kind te erkennen of vervangende toestemming te vragen, maar dit niet heeft gedaan. De stelling dat hij niet op de hoogte was van deze mogelijkheden wordt door het hof niet gevolgd, mede vanwege betwisting door de moeder en bewijs van informatievoorziening.
De moeder heeft toestemming gegeven aan de ander om het kind te erkennen, niet met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden, maar om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke opvoedingssituatie. Het hof verklaart de verwekker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken, wijst deze af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie tussen partijen.
Uitkomst: De verwekker is niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vernietiging van erkenning en het verzoek tot vervangende toestemming wordt afgewezen.