Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2019:8781

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
200.224.235/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 6:162 BWArt. 31 RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurders aansprakelijk voor boedeltekort wegens schending boekhoudplicht

In deze civiele procedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 oktober 2019 arrest gewezen in een hoger beroep betreffende de aansprakelijkheid van (indirecte) bestuurders voor het boedeltekort van failliete vennootschappen. De curator vorderde betaling van het tekort op grond van artikel 2:248 BW Pro wegens schending van de boekhoudplicht.

Het hof stelde vast dat het bewijsvermoeden van schending van de boekhoudplicht niet was weerlegd door de bestuurders, die een beroep op disculpatie deden. Dit beroep werd verworpen. Ook zag het hof geen aanleiding tot matiging van de aansprakelijkheid. Daarnaast oordeelde het hof dat er voldoende grond was om een voorschot op de boedeltekortvordering toe te wijzen.

Na het arrest van 24 september 2019 werd een verzoek tot herstel en aanvulling van het arrest ingediend, waarbij correcties werden aangebracht in terminologie en wetsartikelen. Tevens werd het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, ondanks bezwaar van de bestuurders. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheren Janse, Smit en Roorda.

Uitkomst: Bestuurders worden aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort en het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.224.235/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/398369 / HL ZA 15-229)
beslissing op verzoek ex artikel 31 en Pro 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van

Lambertus Theodorus Lonis,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Mobile Services B.V., Mobile Services Installatietechniek B.V. en Mobile Services Telecom B.V.,
destijds gevestigd te Almere,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep
in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna:
de curator,
advocaat: mr. L.T. Lonis, kantoorhoudend te Woudenberg,
tegen

1. [geïntimeerde1] ,

wonende te [plaats1] ,

2. [geïntimeerde2] B.V.,

gevestigd te [plaats1] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [plaats2] ,

4. [geïntimeerde4] B.V.,

gevestigd te [plaats2] ,

5. [geïntimeerde5] ,

wonende te [plaats1] ,

6. [geïntimeerde6] B.V.,

gevestigd te [plaats1] ,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden] c.s.,
advocaat: mr. D.M. Schipper, kantoorhoudend te Valkenswaard.

Het verzoek en de beoordeling

Het hof heeft in deze zaak op 24 september 2019 arrest gewezen.
Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van de curator bij brief van 27 september 2019 om ex artikel 31 Rv Pro een herstelarrest te wijzen. Uit de toelichting op het verzoek blijkt dat het naast herstel van een tweetal verschrijvingen met name gaat om een verzoek tot aanvulling van het arrest, dus gebaseerd op artikel 32 Rv Pro. Het gaat daarbij om het feit dat verzuimd is te beslissen op de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. De twee verschrijvingen betreffen het woord 'line' in rechtsoverweging 4.13 (moet volgens de curator zijn: 'linie') en de verwijzing naar artikel '2: 162 BW' in rechtsoverweging 4.28 (moet volgens de curator zijn: '6:162 BW').
Mr. Schipper is in de gelegenheid gesteld namens [geïntimeerden] c.s. op dit verzoek te reageren. Bij brief van 11 oktober 2019 heeft zij aangegeven bezwaar te maken tegen het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het arrest. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is volgens haar afgewezen doordat in het dictum staat: 'wijst af het meer of anders gevorderde'.
Het hof overweegt dat per abuis niet is beslist op de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Dat dit op een kennelijke vergissing berust is kenbaar omdat hier geen enkele overweging aan is gewijd, zodat evident is dat niet bedoeld is die uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen door de zinsnede: 'wijst af het meer of anders gevorderde'. Aangezien tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad in de processtukken van [geïntimeerden] c.s. geen afzonderlijk verweer is gevoerd en het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een andere beslissing, zal het gevorderde alsnog worden toegewezen.
Tegen de verzochte verbeteringen is geen verweer gevoerd en ook die vergissingen zijn evident, zodat de gevraagde verbetering zal worden uitgesproken.

De beslissing

Het hof bepaalt dat in het arrest van 24 september 2019 het woord 'line' in rechtsoverweging 4.13 moet worden gelezen: 'linie' en dat artikel '2: 162 BW' in rechtsoverweging 4.28 moet worden gelezen als artikel '6:162 BW'.
Het hof bepaalt verder dat in het dictum van het arrest van 24 september 2019 boven de zinsnede 'wijst af het meer of anders gevorderde' wordt ingevoegd de zinsnede 'verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen'.
Deze verbeteringen en aanvulling worden aangebracht op de minuut.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. J. Smit en mr. P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
22 oktober 2019.