ECLI:NL:GHARL:2019:4160

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
14 mei 2019
Zaaknummer
200.187.149
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 RvArt. 3:94 lid 1 BW
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid schorsing procedure bij rechtsopvolging onder bijzondere titel en cessie van vordering

In deze civiele procedure staat een incident centraal over de schorsing van de procedure op grond van artikel 225 lid 1 aanhef Pro en onder c Rv, vanwege een gestelde rechtsopvolging onder bijzondere titel. IDM Financieringen B.V. stelt haar vordering op [geïntimeerden] te hebben gecedeerd aan Hoist Portfolio Holding LTD, maar heeft deze vordering later teruggekocht en beroept zich op schorsing van het geding.

Het hof stelt vast dat de bevoegdheid om schorsing in te roepen uitsluitend toekomt aan de partij aan wier zijde de oorzaak van de schorsing ligt, dan wel diens rechtsopvolger. Zowel IDM als Hoist beroepen zich op deze grond. De cessie van een vordering is een rechtsopvolging onder bijzondere titel, waarvoor een akte en mededeling aan de schuldenaar vereist zijn volgens artikel 3:94 lid 1 BW Pro.

Hoewel IDM mededeling heeft gedaan van cessie, is geen akte overgelegd en betwisten [geïntimeerden] het bestaan daarvan. Het hof kan daardoor niet vaststellen of aan de wettelijke vereisten is voldaan. Daarom wordt de zaak verwezen voor overlegging van de akte(s) van cessie, waarna partijen gelegenheid krijgen te reageren. De beslissing wordt aangehouden tot nadere beoordeling mogelijk is.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor overlegging van de akte van cessie en nadere beoordeling van de schorsingsgrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.187.149
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 4206246)
arrest van 14 mei 2019
in het incident ex artikel 225 Rv Pro van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IDM Financieringen B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in het incident,
hierna: IDM,
advocaat: mr. V.H. Affourtit,
in de zaak van

1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
appellanten, tevens verweerders in het incident,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. F.E. Boonstra,
tegen:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Hoist Portfolio Holding LTD,
gevestigd te Jersey,
geïntimeerde, tevens eiseres in het incident,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Hoist,
advocaat: mr. H.A.P. Pijnacker.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van de tussenarresten van 12 april 2016 en 26 februari 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte houdende aanzegging schorsing ex artikel 225 Rv Pro van IDM,
- het faxbericht van 26 maart 2019 van Hoist, dat op de rol van 26 maart 2019 is aangemerkt als akte,
- de antwoordakte van [geïntimeerden]
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.De motivering van de beslissing in het incident

2.1
[geïntimeerden] hebben in 2004 een kredietovereenkomst gesloten met IDM. Volgens IDM is uit die overeenkomst een vordering ontstaan van haar op [geïntimeerden] Die vermeende vordering heeft IDM in 2014 gecedeerd aan Hoist. Bij het vonnis waarvan beroep van 9 december 2015 heeft de kantonrechter [geïntimeerden] veroordeeld tot betaling aan Hoist van onder meer een bedrag van € 35.217,56. Tegen dat vonnis hebben [geïntimeerden] hoger beroep ingesteld. Het hof heeft een tussenarrest gewezen.
Bij brieven van 21 maart 2019 en 22 maart 2019 heeft IDM aan [geïntimeerden] medegedeeld dat zij haar vermeende vordering op [geïntimeerden] heeft teruggekocht van Hoist en dat zij opnieuw eigenaar is geworden van de vordering. Vervolgens heeft IDM bij akte ter rolle de schorsing van het geding op grond van artikel 225 lid 1 aanhef Pro en onder c Rv ingeroepen. Hoist heeft bij door het hof als akte aangemerkt faxbericht van 26 maart 2019 ingestemd met de schorsing van het geding. [geïntimeerden] hebben de ingeroepen schorsingsgrond betwist.
2.2
Het hof stelt voorop dat de bevoegdheid tot schorsing van de procedure op grond van artikel 225 Rv Pro (uitsluitend) toekomt aan de partij aan wier zijde de oorzaak van de schorsing zich voordoet en aan de opvolger van die partij (zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4307, NJ 1982, 136, het arrest van dit hof van 30 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5732 en de conclusie van de Advocaat-Generaal vóór Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:517). Anders dan [geïntimeerden] hebben aangevoerd, komt dus naast aan Hoist ook aan IDM, die stelt de opvolger van Hoist te zijn, de bevoegdheid toe om een schorsingsgrond in te roepen. Overigens begrijpt het hof uit de reactie van Hoist dat ook zij zich op de schorsingsgrond beroept.
2.3
Op grond van artikel 225 lid 1 aanhef Pro en onder c Rv kan het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak, een grond zijn voor schorsing van het geding. Onder het ophouden van de rechtsbetrekkingen door een “andere oorzaak” is begrepen het geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel (zie Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 3, p. 130 (MvT)). De cessie van een vordering betreft een rechtsopvolging onder bijzondere titel. Daarvoor is op grond van artikel 3:94 lid 1 BW Pro een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar vereist. Vaststaat dat IDM mededeling heeft gedaan aan [geïntimeerden] van de gestelde cessie. Een akte van cessie is echter niet overgelegd en [geïntimeerden] hebben het bestaan daarvan betwist. Het hof kan daarom niet vaststellen of aan de vereisten van artikel 3:94 lid 1 BW Pro is voldaan.
2.4
Voor de beoordeling van de vraag of de schorsing door IDM terecht is ingeroepen, is van belang dat het hof de beschikking krijgt over een kopie van de akte(s) van cessie. Daartoe zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor akte overlegging producties aan de zijde van IDM. [geïntimeerden] en Hoist zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in het incident:
verwijst de zaak naar de roldatum
28 mei 2019voor akte overlegging producties aan de zijde van IDM (ambtshalve peremptoir);
bepaalt dat na het nemen van de akte door IDM, [geïntimeerden] en Hoist op een termijn van
twee wekenin de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte te reageren (ambtshalve peremptoir);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.