Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland inzake de vaststelling van kinder- en partneralimentatie na echtscheiding. De vrouw verzocht om een verhoging van de alimentatiebedragen, waarbij zij de draagkracht van de man betwistte, met name zijn inkomen uit onderneming. De man voerde verweer en wilde de beschikking bekrachtigen.
Tijdens de procedure werd de vermeerdering van het verzoek ter zitting door het hof buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil spitste zich toe op de juiste bepaling van het inkomen van de man, die een eenmanszaak exploiteert. De vrouw betwistte de betrouwbaarheid van de jaarstukken en stelde dat de man meer privé opnam dan zijn winst, onderbouwd met een verklaring van een accountant. De man bracht een reactie van zijn accountant in die de jaarstukken bevestigde.
Het hof oordeelde dat de jaarstukken als juist moeten worden aangenomen en dat de vrouw onvoldoende onderbouwing leverde om daaraan te twijfelen. Het hof stelde het bruto jaarinkomen van de man vast op €22.000 en berekende op basis daarvan de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €176 per maand met ingang van 29 juni 2016, en de partneralimentatie op €66 per maand met ingang van 29 mei 2017.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de alimentatie betreft en het hof sprak de nieuwe bedragen uit. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de aard van het geschil tussen gewezen echtgenoten.
Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €176 en de partneralimentatie op €66 per maand, en vernietigt de eerdere beschikking voor zover het de alimentatie betreft.