Belanghebbende werd aangeslagen voor inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2010 tot en met 2013, inclusief verzuimboeten wegens niet tijdig indienen van aangiften. De rechtbank had grotendeels de aanslagen en boetes gehandhaafd, met uitzondering van een vermindering van de aanslag IB/PVV 2012.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat het bewijsvermoeden dat zij inkomen genoot in 2010 en 2011 ontzenuwd was door de verkoopwinst van haar woning in 2004, waarmee zij in haar levensonderhoud kon voorzien. Het hof oordeelde dat dit vermoeden inderdaad ontzenuwd was, waardoor de aanslagen over 2010 en 2011 grotendeels niet konden worden gehandhaafd, behalve het pensioeninkomen in 2011. De aanslag IB/PVV 2012 was reeds verminderd tot nihil en werd niet verder beoordeeld.
De aanslag IB/PVV 2013, inclusief een bijstandsuitkering, werd bevestigd omdat de uitkering terecht in het jaar van ontvangst was belast. De verzuimboete 2010 werd gehandhaafd wegens stelselmatig verzuim. De heffingsrente werd overeenkomstig verminderd. Het hof veroordeelde de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.