Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:9381

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 oktober 2017
Publicatiedatum
31 oktober 2017
Zaaknummer
21-006107-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken tenlastelegging bepaald feit bij smaadschrift

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor smaadschrift wegens het noemen van aangever als 'beul' op Facebook. Het hof vernietigt dit vonnis en spreekt verdachte vrij omdat niet is komen vast te staan dat verdachte een concreet feit ten laste heeft gelegd zoals vereist onder artikel 261 Sr Pro.

De tenlastelegging betrof het openbaar maken van een bericht met een foto van aangever en een tekst waarin verdachte aangever een 'beul' noemt die 'niet op een uitspraak van de rechter wil wachten'. Het hof oordeelt dat deze uitlating niet neerkomt op het ten laste leggen van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging.

De strafrechtelijke bescherming van de eer en goede naam vereist dat het ten laste gelegde feit een concrete, historische gedraging betreft. Dit ontbrak in deze zaak. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat verdachte niet schuldig is bevonden.

Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat hij een bepaald feit ten laste heeft gelegd dat de eer en goede naam van aangever aantastte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006107-16
Uitspraak d.d.: 31 oktober 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2016 met parketnummer 18-016647-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van
€ 250,-- met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J. Hemelaar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 175,--, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 100,-- zonder wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te [plaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen voorzien van een foto van die [benadeelde] met daarbij een tekst waarin door verdachte de opmerking is geplaatst: "...dan wordt je op een achterbakse wijze via via uiteindelijk door een uitvoerder, je ziet hem hier staan, het is een zekere beul met de naam [benadeelde] , die niet op een uitspraak van de rechter wil wachten afgesloten, in de kou gezet", welke bericht door een (groot) aantal mensen is gedeeld en/of gelezen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Door de raadsman is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte 'een bepaald feit' heeft 'ten laste gelegd' - zoals bedoeld in artikel 261 van Pro Strafrecht - waardoor de eer en/of goede naam van [benadeelde] is aangerand. Verdachte heeft [benadeelde] 'een beul' genoemd in een bericht op Facebook. Dit is niet het ruchtbaarheid geven aan een strafbare of beschamende daad van [benadeelde] door verdachte en derhalve geen smaad. Het handelden van aangever, te weten het afsluiten van de meter, dat door verdachte in zijn tekst wordt omschreven is verder geen tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 van Pro het wetboek van Strafrecht.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Voorop staat dat bij aanranding van iemands eer of goede naam door middel van telastlegging van een bepaald feit, zoals omschreven in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht, het anders dan bij belediging, waarvan aangifte is gedaan, moet gaan om een op zodanige wijze tenlastegelegd feit, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging tegen één of meer aanwijsbare personen betreft.
Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om zijn gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. (Vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171.)
De ratio van de strafbaarstelling van smaad(schrift) ligt in de bescherming van de morele integriteit waarop een ieder in het maatschappelijk verkeer aanspraak kan maken. Bij het bestanddeel “ telastelegging van een bepaald feit” moet het niet alleen gaan om een ernstig feit zoals een misdrijf of een gedraging die moreel verwerpelijk (of: in strijd met de positieve moraal).wordt geacht, maar ook om een duidelijk te onderkennen concrete historische gedraging waarbij de betrokkenheid van het slachtoffer bij dat feit tot uitdrukking komt (zie Hoge Raad 3 mei 1937, NJ 1937, 1022 en Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143)
Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt het hof het volgende vast.
Verdachte heeft op Facebook een bericht geplaatst met daarbij een foto van aangever [benadeelde] en de tekst "… dan wordt je op een achterbakse wijze via via uiteindelijk door een uitvoerder, je ziet hem hier staan, het is een zekere beul met de naam [benadeelde] , die niet op een uitspraak van de rechter wil wachten afgesloten, in de kou gezet".
Het hof is van oordeel dat deze bewoordingen die verdachte jegens [benadeelde] heeft gebezigd op Facebook niet het ten laste leggen van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van [benadeelde] is zoals bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht gelet op hetgeen het hof hierboven voorop heeft gesteld.. Het verweer van de raadsman treft derhalve doel. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door
mr. K. Lahuis, voorzitter,
mr. H.L. Stuiver en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,
en op 31 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. E. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.