Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
Feiten
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De Inspecteur stelde een informatiebeschikking vast tegen belanghebbende met betrekking tot de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2010, omdat belanghebbende geen buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxemburg had opgegeven. Belanghebbende maakte bezwaar, dat door de rechtbank werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur op grond van artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bevoegd was om informatie te vragen, omdat er een redelijk vermoeden bestond dat belanghebbende nog vermogen aanhield op de buitenlandse rekening. Het Hof overwoog dat de Inspecteur niet verplicht was om nader onderzoek te doen naar het uitgavenpatroon van belanghebbende en dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens terecht was gesanctioneerd met een informatiebeschikking.
Belanghebbende voerde aan dat hij niet in staat was tot tegenbewijs en dat de Inspecteur in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur had gehandeld door geen mededelingen te doen over het onderzoek. Het Hof verwierp deze verweren en bevestigde de informatiebeschikking. Wel werd belanghebbende een termijn gesteld om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Daarnaast werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens het ontbreken van een hoorgesprek in de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de informatiebeschikking en stelt belanghebbende een termijn van zes weken om te voldoen aan de informatieplicht.