Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Jeugdbescherming Noord,
verder te noemen: de ouders,
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige centraal. De minderjarige, geboren in 1999, vertoonde ernstige ontwikkelingsbedreigingen, sociaal-emotionele problemen en lichamelijke klachten. De raad voor de kinderbescherming verzocht om voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in een 24-uurs medische observatie- en diagnostische voorziening. De ouders en de bijzondere curator gingen in hoger beroep tegen deze maatregelen.
Het hof oordeelde dat de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van zicht op de situatie van de minderjarige, het gesloten karakter van het gezin en de ernstige zorgen over haar welzijn. Ondanks inspanningen van de ouders en hulpverlening bleef de situatie zorgelijk. Het hof verwierp de stellingen dat de raad onzorgvuldig had gehandeld of dat sprake was van een gesloten plaatsing zonder wettelijke grondslag.
De ondertoezichtstelling werd eveneens bekrachtigd omdat de minderjarige sinds juli 2016 uit het zicht van instanties was en de zorgen onverminderd aanwezig waren. Het hof benadrukte het belang van samenwerking tussen ouders, GI en raad om passende hulp te bieden en de schoolgang te starten. De ouders en de minderjarige werden niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling. De bestreden beschikkingen werden bevestigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige en verklaart het hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk.