Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant sub 1]
[appellant sub 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een geschil tussen de eigenaar van een perceel en de bewoners van een woonschip dat sinds 1963 op het perceel ligt. Na het overlijden van de oorspronkelijke gebruiker is het gebruiksrecht komen te vervallen, waarna de eigenaar ontruiming vorderde. De voorzieningenrechter verbood het gebruik van het woonschip en het betreden van het perceel door de bewoners.
In hoger beroep betoogden de bewoners onder meer dat zij door verjaring en natuurlijke verbintenis rechten op het woonschip en de ligplaats hadden verkregen. Het hof verwierp deze gronden omdat het woonschip slechts onder een opzegbare duurovereenkomst werd gebruikt en er geen sprake was van bezit in juridische zin.
Het hof oordeelde dat de eigenaar een voldoende spoedeisend belang had bij ontruiming en dat het gebruiksrecht was geëindigd. De vordering tot verwijdering van het woonschip werd echter afgewezen omdat het technisch niet zonder meer mogelijk is het woonschip te verplaatsen zonder aanzienlijke schade. Wel werd een beperkte vordering tot verwijdering van een tuinhuis en een gezonken roeiboot toegewezen.
De proceskosten werden gecompenseerd en het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2016.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontruiming, vernietigt het deel over verwijdering van het woonschip en wijst een beperkte vordering tot verwijdering van tuinhuis en roeiboot toe.