ECLI:NL:GHARL:2016:340
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd voor verstandelijk beperkte minderjarige
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland die het ouderlijk gezag van de moeder over haar zoon, een verstandelijk beperkte minderjarige, beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde.
De moeder en vader gingen in hoger beroep tegen deze beschikking. De vader werd echter niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het beroep te laat had ingesteld en geen gezag had over de minderjarige. Het hof oordeelde dat de vader wel als belanghebbende kon worden aangemerkt vanwege zijn eerdere gezinsverband met de minderjarige.
De minderjarige verblijft sinds 2013 in een instelling voor kinderen met een lichte verstandelijke beperking. De raad voor de kinderbescherming stelde dat terugkeer naar huis niet mogelijk is en dat de moeder niet in staat is de verzorging en opvoeding op zich te nemen binnen een aanvaardbare termijn.
Het hof vond dat de moeder wisselende en onvoldoende standpunten innam over de verzorging van de minderjarige en onvoldoende prioriteit gaf aan diens belangen. Gezien de intensieve zorgbehoefte van de minderjarige achtte het hof het in zijn belang dat het gezag aan een voogd wordt toegekend. Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het beroep van de moeder afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en wijst het beroep van de vader af wegens niet-ontvankelijkheid.