ECLI:NL:GHARL:2015:7009
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Van Schuijlenburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dwangsom en proceskostenvergoeding bij niet tijdig beslissen in WAHV-procedure
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de officier van justitie een dwangsom verbeurde wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep tegen een sanctiebeschikking. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat geen dwangsom was verbeurd en kende proceskosten toe aan de betrokkene. Het hoger beroep werd aanvankelijk niet-ontvankelijk geacht vanwege het appelverbod, maar het hof doorbrak dit omdat de gemachtigde niet behoorlijk was opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.
Het hof oordeelde dat de eerste ingebrekestelling prematuur was, maar dat de tweede brief van de gemachtigde als ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, Awb kon worden aangemerkt. Hierdoor verbeurde de officier van justitie een dwangsom van €180,-. Tevens stelde het hof vast dat de officier van justitie bij zijn beslissing niet de verschuldigdheid van de dwangsom en een proceskostenvergoeding had vastgesteld, wat het hof vernietigde en corrigeerde.
Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €547,88, gebaseerd op de punten en wegingsfactoren uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de WAHV geen schadevergoeding voor dergelijke overschrijdingen kent en het hof geen aanleiding zag tot analoge toepassing van de Awb.
Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken tijdens een openbare zitting op 21 september 2015.
Uitkomst: De officier van justitie is een dwangsom van €180,- verschuldigd en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot betaling van €547,88 aan proceskosten; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.