ECLI:NL:GHARL:2015:5801

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 augustus 2015
Publicatiedatum
4 augustus 2015
Zaaknummer
14/01277
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding bij beroepsmatig verleende rechtsbijstand in WOZ-zaak

Belanghebbenden, de erven van wijlen [X] en [C], stelden beroep in tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld door de gemeente Berkelland. De rechtbank Gelderland stelde hen in het gelijk en verlaagde de WOZ-waarde, maar wees een proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand af.

In hoger beroep stond centraal of de proceskostenvergoeding toegekend moet worden voor rechtsbijstand verleend door [E] BV, vertegenwoordigd door [A], die tevens zelf belanghebbende is. De heffingsambtenaar betoogde dat geen sprake is van derde rechtsbijstand omdat [A] zelf belanghebbende is en dat de kosten niet redelijk zijn.

Het hof oordeelde dat op grond van jurisprudentie geen vergoeding kan worden toegekend als de gemachtigde zelf belanghebbende is, ook al handelt hij namens een rechtspersoon. Omdat [A] zelf belanghebbende is en er geen verschillende belangen zijn tussen de erfgenamen, is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand.

Daarmee bevestigde het hof de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en ook geen kostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 augustus 2015 door mr. J.P.M. Kooijmans.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding voor door een derde verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht
Locatie Arnhem
nummer 14/01277
uitspraakdatum:
4 augustus 2015
Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
erven van [X]te
[Z](hierna: belanghebbenden),
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 november 2014, nummer
AWB 14/2018, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Berkelland(hierna: de heffingsambtenaar).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak
[a-straat] 14 te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2013, naar de waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld op € 343.000.
1.2
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 februari 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Belanghebbenden zijn tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van
18 november 2014 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 256.000, de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd, een proceskostenvergoeding voor de reiskosten toegekend van € 24,48 en gelast dat aan belanghebbende het door hen betaalde griffierecht van € 45 wordt vergoed.
1.4
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2015 te Arnhem. Namens belanghebbenden is [A] verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. [B] .
1.7
Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

2.1
[X] is overleden [in] 2001. Zijn erfgenamen waren zijn weduwe, [C] en hun kinderen [A] en [D] . Krachtens de werking van een door [X] opgemaakt testament, inhoudende een ouderlijke boedelverdeling, zijn alle baten van zijn nalatenschap toebedeeld aan [C] . [in] 2009 is ook mevrouw [C] overleden.
2.2
Belanghebbenden in deze zaak zijn de erven van [X] en [C] , te weten de genoemde kinderen [A] en zijn zuster [D] .
2.3
Blijkens een verklaring van erfrecht van 31 maart 2009 hebben [A] en [D] aan elkaar volmacht verleend om elkaar te vertegenwoordigen ter zake van het beheer, de vereffening, de verdeling en de verdere afwikkeling van de nalatenschap.
2.4
De proceshandelingen in de onderhavige bezwaar- en beroepsprocedure zijn namens belanghebbenden verricht door [E] BV te [Z] (hierna: [E] ), in de persoon van [A] die enig personeelslid is van [E] .
2.5
In beroep zijn belanghebbenden door de Rechtbank in het gelijk gesteld voor zover het de WOZ-waarde betreft. De Rechtbank heeft geen vergoeding van proceskosten wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend.

3.Geschil

3.1
In geschil is of belanghebbenden recht hebben op een proceskostenvergoeding wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.2
Belanghebbenden betogen dat de door [E] , in de persoon van [A] , verleende rechtsbijstand door een derde is verricht en dat mitsdien daarvoor een proceskostenvergoeding moet worden toegekend overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De heffingsambtenaar bestrijdt dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand nu [A] zelf belanghebbende is in deze zaak. Verder heeft de heffingsambtenaar nog aangevoerd dat belanghebbenden de kosten voor rechtsbijstand niet redelijkerwijs hebben gemaakt gezien de eigen deskundigheid van belanghebbende [A] .
3.3
Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de proceskostenvergoeding en tot toekenning van een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Overwegingen

4.1
De in artikel 8:75, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met
artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit bedoelde kostenveroordeling kan uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4.2
Uit de feiten vloeit voort dat [A] reeds op grond van de wederzijdse machtiging door de erven bevoegd was in de onderhavige zaak als gemachtigde op te treden. De overgelegde machtiging door [D] van [E] voegt daaraan in wezen niets toe. Reeds op grond daarvan is het Hof van oordeel dat van een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de onderhavige zaak geen sprake is.
4.3
Van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is voorts geen sprake in een geval waarin feitelijk de belastingplichtige zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon (vgl. HR 11 mei 2012, nr. 11/03010, ECLI:NL:HR:2012:BW5409 en HR 9 augustus 2013, nr. 12/05108, ECLI:NL:HR:2013:197).
4.4
In deze zaak zijn de proceshandelingen namens [E] verricht door [A] , die zelf belanghebbende is in deze zaak. Gelet op voornoemde jurisprudentie is in een dergelijk geval geen sprake van door derde verleende rechtsbijstand. Daaraan doet niet af dat ook [D] belanghebbende is in de onderhavige zaak. Het gaat in de onderhavige procedure immers om één besluit en gesteld noch gebleken is dat [A] en [D] verschillende belangen hebben. De Rechtbank heeft mitsdien terecht geen vergoeding van proceskosten wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend. Het Hof heeft reeds eerder in deze zin geoordeeld in de zaak van belanghebbenden met betrekking tot het jaar 2012 (uitspraak van 15 juli 2014, nr. 13/01241). Bij arrest van 3 april 2015, nr. 14/04093, is het daartegen gerichte beroepschrift in cassatie door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard.
4.5
Anders dan belanghebbenden verdedigen doet aan het vorenstaande de uitspraak van dit Hof van 20 augustus 2013, nrs 12/00707 en 12/00711 niet af omdat in die zaken [A] en [D] niet rechtstreeks als belanghebbenden waren aan te merken.
Slotsom
Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep van belanghebbenden ongegrond te worden verklaard.

5.Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2015.
(J.H. Riethorst) (J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 augustus 2015
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen
binnen zes wekenna de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
postbus 20303, 2500 EH Den Haag
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.