ECLI:NL:GHARL:2015:3360

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2015
Publicatiedatum
12 mei 2015
Zaaknummer
200.115.670-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 384 RvArt. 391 Rvartikel CIV Wet herziening gerechtelijke kaartartikel XIV Wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indelingWet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing naar rechtbank wegens bevoegdheidsvraag na prejudiciële beslissing Hoge Raad

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich uitgesproken over de vraag welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot herroeping van een beschikking van de kantonrechter. Het geschil ontstond nadat verzoeker, ondanks een appelverbod, hoger beroep instelde bij het hof met een beroep op een doorbrekingsgrond. Dit beroep werd door het hof verworpen.

Naar aanleiding hiervan stelde het hof een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 384 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met betrekking tot de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat in dergelijke gevallen de kantonrechter in eerste aanleg en niet het hof als appelrechter bevoegd is.

Gelet op deze prejudiciële beslissing verklaart het hof zich onbevoegd om het verzoek van verzoeker te behandelen en verwijst de zaak naar de kantonrechter van de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem), die op grond van de gerechtelijke kaart bevoegd is. Hiermee wordt de procedure correct voortgezet bij de juiste rechterlijke instantie.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek en verwijst de zaak naar de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem).

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.115.670/02
(zaaknummer rechtbank Arnhem, burgerlijk recht, sector kanton, locatie Tiel 823908)
beschikking van de derde civiele kamer van 12 mei 2015
inzake
[verzoeker],
wonende te [plaatsnaam],
verzoeker,
hierna: [verzoeker],
advocaat: mr. J.P. Snoek,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Tiels Schoonmaakbedrijf B.V.,
gevestigd te Tiel,
verweerster,
hierna: TSB,
advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen.

1.Het verdere verloop van het geding

1.1
Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 25 februari 2014. Bij deze beschikking heeft het hof overwogen dat het overweegt een prejudiciële vraag te stellen over de vraag of het hof in een situatie als zich in deze zaak voordoet is te beschouwen als ‘de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld’ als bedoeld in artikel 384 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Partijen hebben de gelegenheid gekregen zich over het voornemen een prejudiciële vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de vraag, uit te laten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.
1.2
Bij beschikking van 17 juni 2014 heeft het hof de hiervoor onder 1.1 vermelde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld.
1.3
Bij prejudiciële beslissing van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3536, heeft de Hoge Raad voornoemde vraag beantwoord als volgt:
‘indien ondanks een appelverbod hoger beroep is ingesteld met een beroep op een zogenoemde ‘doorbrekingsgrond’ en het beroep op de doorbrekingsgrond is verworpen, dient de rechter in eerste aanleg en niet de appelrechter te worden beschouwd als ‘de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld’ als bedoeld in art. 384 Rv Pro’.2. De motivering van de beslissing2.1 Het hof volhardt bij hetgeen het in de tussenbeschikkingen van 25 februari 2014 en
17 juni 2014 heeft overwogen.
2.2
In de onderhavige procedure heeft [verzoeker], ondanks een appelverbod, bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter van 14 september 2012 met het beroep op een zogenoemde doorbrekingsgrond. Bij beschikking van 24 september 2013 heeft het hof het beroep op de door [verzoeker] aangevoerde doorbrekingsgrond verworpen. Vervolgens heeft [verzoeker] een verzoek tot herroeping van de beschikking van 14 september 2012 van de kantonrechter en/of de beschikking van 24 september 2013 bij dit hof ingediend. De Hoge Raad heeft naar aanleiding van voornoemde prejudiciële vraag van het hof geoordeeld dat de kantonrechter en niet het hof moet worden beschouwd als de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld als bedoeld in artikel 384 Rv Pro. Gelet op dit oordeel had het verzoek van [verzoeker] achteraf bezien op grond van artikel 384 lid 1 juncto Pro artikel 391 Rv Pro moeten worden gebracht voor de kantonrechter die in eerste aanleg over de zaak heeft geoordeeld.
2.3
Nu de beschikking in eerste aanleg vóór 1 januari 2013 is gegeven door (de kantonrechter in) de rechtbank Arnhem (locatie Tiel) moet deze op grond van artikel CIV Wet herziening gerechtelijke kaart juncto artikel XIV van de Wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming van de arrondissementen Gelderland en Overijssel worden aangemerkt als een beschikking van (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem). De kantonrechter in die rechtbank is derhalve bevoegd om van het verzoek tot herziening kennis te nemen.
2.4
Het voorgaande brengt mee dat het hof zich onbevoegd zal verklaren van het onderhavige verzoek van [verzoeker] kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem) zal verwijzen.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende:
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van [verzoeker] kennis te nemen;
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar (de kantonrechter in) de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem).
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.F.J.N. van Osch en
W. Duitemeijer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 12 mei 2015.