Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De omvang van het geschil
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd sinds 1992 en zijn in eerste aanleg gescheiden verklaard door de rechtbank Midden-Nederland. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de echtscheiding, de gebruiksvergoeding voor de woning en de partneralimentatie.
De vrouw voerde een pensioenverweer aan op grond van artikel 1:153 BW Pro, stellende dat haar nabestaandenpensioen ernstig vermindert door de echtscheiding. Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de vermindering ernstig is en dat zij geen redelijke voorziening kan treffen, mede gelet op haar onderneming en afgesloten levensverzekering.
Ten aanzien van de gebruiksvergoeding voor de woning stelt het hof de vergoeding vast op € 245,- per maand, op basis van 3% rente over de helft van de overwaarde. De rechtbank had € 300,- vastgesteld, wat het hof vernietigt.
De vrouw verzocht tevens partneralimentatie, maar het hof oordeelt dat haar inkomen niet voldoende is vastgesteld vanwege het ontbreken van professionele jaarstukken en onvoldoende onderbouwing van haar behoefte. Dit verzoek wordt afgewezen.
De kosten van hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijzigt de gebruiksvergoeding woning naar € 245,- per maand en wijst het pensioenverweer en partneralimentatieverzoek af.