Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 2]
[appellant 3]
[appellant 1],
[appellant 2]en
[appellant 3]dan wel gezamenlijk als: [appellanten]
advocaat: mr. P. Tuinman, kantoorhoudende te Leeuwarden,
[B.V.],
de curator,
advocaat: mr. T.H. Pasma, kantoorhoudende te Harlingen,
1.Het verdere verloop van de procedure
- Na het tussenarrest van 3 april 2012 zijn getuigen gehoord.
- Daarop hebben [appellanten] een memorie na enquête (met producties) genomen, gevolgd door een akte overlegging strafvonnissen.
- Vervolgens heeft de curator een (antwoord) memorie na enquête (met producties) genomen.
- Ten slotte hebben partijen de stukken weer overgelegd en arrest gevraagd, waarop het hof arrest heeft bepaald.
2.De verdere beoordeling
(a) een toename van de concurrentie door Oost-Europese bedrijven;
(b) een structureel liquiditeitstekort door het faillissement in september 2002 van [bedrijf];
(c) het vanaf 2003 ten laste van [B.V.] brengen van de bedrijfskosten van [appellant 3];
(d) een verlies van € 153.160,- door het project [project].
omzetmet een bedrag van € 500.000,- tot € 600.000,- verminderde. Die omzetvermindering werd, aldus [appellant 2], tot 2002 vrijwel geheel gecompenseerd door extra werk in opdracht van [bedrijf]
margesaf.
ditonbehoorlijk bestuur dat wordt vermoed een belangrijke oorzaak voor het faillissement te zijn. Dat het met de ernst van het onbehoorlijk bestuur in
diezin wel meevalt is gesteld noch gebleken.
a. [bedrijf 2] B.V. € 82.563,08
b. [bedrijf 3]
€ 33.090,33€ 115.653,41
c. Metaaltechniek [bedrijf 4] € 19.245,89
d. [bedrijf 5] € 8.647,25
e. [bedrijf 6] € 32.237,10
f. [bedrijf 7]
€ 24.408,00€ 84.538,24
[B.V.] nog vóór het faillissement van [B.V.] door [schuldenaren] aan [appellant 3] werden betaald. De verplichting van [appellant 3] tot doorbetaling aan [B.V.] van de aldus ontvangen bedragen werd vervolgens verrekend met een (beweerdelijke) tegenvordering van [appellant 3] op [B.V.]. [appellant 3] stelt echter dat per abuis op haar rekening werd betaald, waarna zij haar verplichting tot doorbetaling aan [B.V.] kon en mocht verrekenen met haar (tegen)vordering op [B.V.].
[B.V.] onttrok. Voorts is van belang dat [appellant 2] het eerste deel van zijn verklaring telkens na te zijn gewezen op onjuistheden in die verklaring meermaals heeft bijgesteld. Zulks doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring als geheel.
[B.V.] is die deze facturen had behoren te verzenden.
a. [bedrijf 2] B.V. € 82.563,08
b. [bedrijf 3] € 33.090,33
c. Metaaltechniek [bedrijf 4] € 19.245,89
d. [bedrijf 5]
€ 8.647,25totaal € 143.546,55
3.Slotsom
a. een vordering van € 107.552,19 wegens samenspanning tussen [appellant 3] en [B.V.] (grief V);
b. een vordering van € 195.292,31 wegens betalingen die [B.V.] door dan wel ten behoeve van [appellant 3] heeft gedaan (grief VI);
3 april 2012. Het bestreden vonnis zal daarom ook voor wat betreft onderdeel b. van de vordering jegens [appellant 3] worden vernietigd. Het hof zal opnieuw rechtdoen en dit deel van de vordering afwijzen.
4.De beslissing
25 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;