ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6353
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslagen en boeten wegens niet aangegeven buitenlandse inkomsten en vermogen
Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1995 tot en met 1997 wegens het niet aangeven van buitenlandse banktegoeden en de daaruit genoten rente-inkomsten. De Duitse belastingautoriteiten verstrekten gegevens aan de Nederlandse FIOD-ECD, die de Inspecteur gebruikte om de aanslagen op te leggen met boeten wegens opzet.
De Rechtbank Arnhem had deels de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard en de boeten verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de Inspecteur artikel 8:42 Awb Pro niet had geschonden, dat de navorderingsaanslagen tijdig en voortvarend waren opgelegd, mede gelet op de noodzaak van internationale informatie-uitwisseling.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende opzettelijk buitenlandse banktegoeden en inkomsten niet had aangegeven en dat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat het vermogen en de rente-inkomsten substantieel waren. De verhogingen wegens opzet werden passend en geboden geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen met boeten worden bevestigd.