GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.118.200
(zaaknummer rechtbank Utrecht 10/179 R)
arrest van de eerste civiele kamer van 21 februari 2013
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. R.A. Franken.
1. Het geding in eerste aanleg
1.1 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 mei 2010 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellante]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. T. Pavicevic en tot bewindvoerder F. Friedeman.
1.2 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 3 december 2012 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 11 december 2012 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te laten continueren als ware deze nimmer beëindigd althans te beslissen dat de regeling zal worden verlengd met een door het hof juist te achten termijn, teneinde haar alsnog in staat te stellen, met de benodigde begeleiding, een functie te bemachtigen en zich aldus in te zetten ten behoeve van haar crediteuren.
2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van
De brief met bijlagen van mr. Franken van 28 januari 2013 en de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 5 februari 2013.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2013, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar advocaat. Voorts is de bewindvoerder verschenen.
2.4 Het hof heeft contact opgenomen met de beschermingsbewindvoerder, mevrouw [X], om kennis te nemen van haar standpunt over de door de rechtbank uitgesproken beëindiging. Ondanks toezegging om een schriftelijk toelichting in te brengen, heeft het hof geen stukken van de beschermingsbewindvoerder ontvangen noch is zij ter zitting verschenen.
2.5 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 [appellante], geboren op [geboortedatum], is een alleenstaande vrouw. Tot 1 januari 2012 is zij door de rechter-commissaris volledig ontheven van de sollicitatieplicht. Vervolgens heeft die ontheffing tot 1 november 2012 gegolden voor zestien uur per week en vanaf laatstgenoemde datum voor acht uur per week. Op [appellante] is sedert 30 december 2010 een beschermingsbewind van toepassing.
3.2 De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd, omdat [appellante] –kortgezegd– onvoldoende heeft voldaan aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht.
3.3 [appellante] kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Zij stelt dat zij verstandelijk beperkt en analfabeet is. Bij haar is COPD geconstateerd, welke aandoening gepaard gaat met klachten van hoesten en benauwdheid. Haar gezondheid is de laatste jaren behoorlijk achteruit gegaan. Een herkeuring voor het verkrijgen van een vrijstelling van de sollicitatieplicht had daarom voor de hand gelegen. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat zij de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen wel begrijpt. Zonder hulp en begeleiding is zij niet in staat personeelsadvertenties te lezen of sollicitatiebrieven te schrijven. Zij is bereid om voor haar passende functies te bekleden. [appellante] wil graag dat de wettelijke schuldsaneringsregeling, al dan niet met een verlenging, op haar van toepassing blijft.
3.4 Het hof oordeelt als volgt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger
beroep heeft [appellante] verklaard dat zij niet goed begrijpt aan welke uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zij dient te voldoen. Voorts heeft zij verklaard hulp nodig te hebben bij de verwerking van haar post en administratie, aangezien zij niet kan lezen, en dat zij afhankelijk is van de hulp van de beschermingsbewindvoerder voor haar rekeningen en van de begeleiding die zij van Stichting Mee ontvangt. De bewindvoerder heeft desgevraagd verklaard dat het haar bekend was dat [appellante] niet in staat was om de brieven die zij naar [appellante] zond te lezen. Op een vraag van het hof of de bewindvoerder contact heeft opgenomen met de beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder geantwoord, dat zij dit inderdaad heeft gedaan, maar dat de beschermingsbewindvoerder het niet tot haar taak rekende om de bewindvoerder van documenten te voorzien. De bewindvoerder heeft ook contact gehad met de begeleider van Stichting Mee van Vuyst, maar - zo verklaarde de bewindvoerder ter zitting - de inzet van Stichting Mee is gericht op een ander traject dan zij vanuit de WSNP dient te bewaken.
3.5 Uit de overgelegde stukken en de verklaringen gedaan ter zitting leidt het hof af dat bij de hulpverleners het ofwel bekend was, ofwel het bekend had kunnen zijn, dat [appellante] niet in staat was om aan haar sollicitatieverplichting te voldoen. Dat dit als zodanig was onderkend, blijkt ook uit de ontheffingen die haar zijn verleend. De volledige ontheffing had betrekking op ruim 1,5 jaar van de looptijd van de saneringsregeling en de gedeeltelijke ontheffing nog voor een substantiële periode daarna. Het hof is van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden, waarbij vele verschillende hulpverleners bij het functioneren van Vuyst betrokken zijn geweest en nog steeds zijn, het niet goed valt in te zien dat het niet mogelijk is gebleken om de diverse hulpverleningstrajecten op een zodanige wijze op elkaar af te stemmen, dat Vuyst niet voor verplichtingen wordt geplaatst waarvan bekend was en is dat zij daaraan - zonder hulp - niet kan voldoen. Dit had temeer voor de hand gelegen nu Vuyst voor een belangrijke periode al was vrijgesteld en zij nog maar slechts een paar maanden voor het (formele) einde van de looptijd van de regeling te gaan had. Het opnieuw aanvragen van een ontheffing had ook in de rede gelegen nu, met hulp van de Stichting Mee, ten aanzien van Vuyst reeds in juni 2012 bij Abrona, een organisatie voor dienstverlening aan mensen met een verstandelijke beperking, een hulpverleningstraject is opgestart, waarbij getracht wordt om haar in te zetten voor vrijwilligerswerk. Ter zitting heeft Vuyst verklaard dat zij in dit kader - na geruime tijd op een wachtlijst te hebben gestaan - op 13 februari 2013 een test heeft gedaan om haar verstandelijke vermogens (verder) te testen.
Het hof is dan ook van oordeel dat niet voldoende is gebleken dat Vuyst een verwijt valt te maken dat zij haar verplichtingen jegens de bewindvoerder niet nakomt, maar dat het eerder lijkt te gaan om een niet adequate onderlinge afstemming van degenen die bij Vuyst betrokken zijn. Het hof acht het hierbij tekenend dat de beschermingsbewindvoerder, ondanks toezegging daartoe, het hof niet heeft geïnformeerd over haar standpunt.
3.6 De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen doel. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden vernietigd. Het hof ziet ook geen aanleiding tot verlenging van de regeling, omdat de punten die Vuyst thans worden verweten vanaf het begin van de regeling bekend waren.
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 3 december 2012;
bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] wordt voortgezet.
Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, L.M. Croes en A.S. Gratama en is op 21 februari 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.