Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellante sub 1],
[appellante sub 2]
[appellant sub 3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten, bewoners van een woonwagenstandplaats op een perceel dat door de gemeente wordt gehuurd van derden, vorderden voortzetting van de huur na het overlijden van hun vader, de oorspronkelijke huurder. De gemeente weigerde een huisvestingsvergunning, wat leidde tot een procedure waarin ontruiming werd gevorderd.
De rechtbank wees de vordering van appellanten af wegens het ontbreken van een huisvestingsvergunning en kende de ontruiming toe. In hoger beroep betwistte de gemeente haar eerdere erkenning dat het om huur van woonruimte ging en stelde dat het perceel geen standplaats in de zin van de Huisvestingswet is, waardoor geen vergunning vereist zou zijn.
Het hof oordeelde dat de gemeente niet meer kan terugkomen op haar eerdere erkenning dat het om huur van woonruimte gaat. Verder stelde het hof vast dat appellanten duurzaam met hun ouders hebben samengewoond en dat de afwijzingsgronden voor voortzetting van de huur niet aanwezig zijn. Daarom werd het tussenvonnis bekrachtigd, het eindvonnis vernietigd en de voortzetting van de huurovereenkomst toegewezen.
Daarnaast werden de gemeente en de eigenaar van het perceel veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en tot vergoeding van proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Appellanten mogen de huurovereenkomst van de woonwagenstandplaats voortzetten en de eerdere ontruimingsvordering wordt afgewezen.