Uitspraak
de curator,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
grief 3 in het principaal appel. Deze grief houdt in dat de feitenvaststelling door de rechtbank niet volledig is, niet objectief en niet op alle details juist. Het hof stelt voorop dat de rechter niet verplicht is alle vaststaande feiten in zijn vonnis te vermelden. In zoverre faalt de grief. Wel zal het hof de feiten hieronder, voor zover van belang, aanvullen. Daarbij zullen tevens in hoger beroep gestelde en niet voldoende weersproken feiten, voor zover van belang, worden vermeld.
De materiële activa
principale grieven 8 tot en met 13voert[appellant] ter zake van de materiële activa, samengevat, het volgende aan:
grief III in het incidenteel appel.
De goodwill;
grief V in het incidenteel appelbetoogt de curator dat de rechtbank hem niet met dit bewijs had mogen belasten. Daartoe stelt hij dat niet van belang is of de onderneming rechtmatig of onrechtmatig op[appellant] is overgegaan.[appellant] dient als verkrijger hoe dan ook de waarde van de onderneming te vergoeden, aldus de curator. In de toelichting op
grief III in het incidenteel appelwordt op dit betoog voortgebouwd en wordt betoogd dat[appellant] voor de door hem toegeëigende goodwill een vergoeding verschuldigd is van € 60.000,-, te weten hetzelfde bedrag dat TPA in 2005 voor de goodwill heeft moeten voldoen.
principale grieven 14 tot en met 16.
principale grieven 17 tot en met 25daartegen, samengevat, het volgende aangevoerd.
incidentele grieven II en Vbetwist dat het personeel van TPA tot medio januari 2007 werkzaamheden ten behoeve van de administratieve omzetting heeft verricht die behoorden tot de verplichtingen van TPA. Volgens de curator werkte het personeel al vanaf 1 januari 2007 louter ten behoeve van NAA. De bewijslast van het tegendeel rust volgens de curator op[appellant].
- hij zowel bestuurder was van TPA als eigenaar is van NAA en dus geacht moet worden over de relevante informatie te beschikken;
- TPA vanaf 1 januari 2007 geen relaties meer had met tussenpersonen en geen omzet meer realiseerde, terwijl NAA dit juist wel deed;
- naar[appellant] zelf beweert per 31 december 2006 tussen TPA en de deelnemers was afgerekend;
- uit de stukken genoegzaam blijkt dat ruimschoots voor 1 januari 2007 bekend was dat de overeenkomsten met de deelnemers van TPA tegen 1 januari 2007 zouden eindigen indien de aandelenoverdracht niet zou doorgaan en aldus voor de hand ligt dat ruim van te voren al eventuele omzettingswerkzaamheden zijn verricht of voorbereid;
- [appellant] er blijk van heeft gegeven de grenzen tussen de belangen van TPA en die van hemzelf niet altijd consequent te bewaken, nu vaststaat dat hij in ieder geval vanaf medio januari 2007 personeel van TPA voor NAA heeft laten werken, zonder daarvoor een vergoeding te betalen en hij activa aan NAA heeft onttrokken.
principale grief 26. Niettemin zal het hof hetgeen hij in de toelichting op deze grief aanvoert betrekken bij zijn verweer tegen de
incidentele grief IVvan de curator, zoals hij ook heeft verzocht.
principale grieven 29 en 30.
principale grieven 27 en 28. Wel zal het hof hetgeen in de toelichtingen op die grieven is gesteld betrekken bij de beoordeling van de
incidentele
principale grieven 31 en 32.
principale grief 33omdat de rechtbank op dit punt in zijn voordeel heeft beslist. Wel zal het hof het in de toelichting op de grief gestelde betrekken bij de bespreking van de incidentele grief I.
incidentele grief 1aangevoerd dat de doorbetalingen weliswaar voor een deel uit voor de deelnemers bestemde provisie bestond, maar dat dit niet relevant is. De bijschrijvingen op de rekening van TPA, ofwel de daardoor ontstane vorderingen op de Postbank vielen in het eigen vermogen van TPA. Daaraan doet niet af dat wellicht tegelijkertijd schulden aan de deelnemers ontstonden voor gelijke bedragen. De rechtbank gaat er voorts aan voorbij dat de doorbetalingen niet zijn gedaan aan de deelnemers maar aan NAA, aldus de curator. Subsidiair stelt de curator dat van het bedrag van € 48.722,11 in ieder geval een deel groot € 21.278,85 geen provisie voor deelnemers betrof en dat van het resterende deel ad € 27.443,26 slechts 60% aan de deelnemers toekwam in verband met de 40% backoffice-vergoeding, die TPA contractueel toekwam.
1 januari 2007 tot en met 16 januari 2007vonden plaats in het zicht van het faillissement en zijn nietig op grond van artikel 42 en Pro 43 F en daarnaast ook onrechtmatig.
17 januari tot en met 25 januari2007 zijn aantastbaar op grond van artikel 47 F. Daarnaast zijn deze onrechtmatig.
na 26 januari 2007zijn nietig zijn omdat[appellant] vanaf die datum door het faillissement niet meer bevoegd was. Daarnaast zijn deze onrechtmatig. De Postbank heeft weliswaar die betalingen gerestitueerd op de faillissementsrekening maar ter zake wel als schuldeiser een vordering ingediend, waarmee de boedel dus wel is benadeeld door de overboekingen.
geboektdoor TPA.[appellant] heeft er daarbij op gewezen dat TPA provisie heeft ontvangen in een periode waarin zij geen werkzaamheden had verricht en zelfs nog voordat zij was opgericht. Leidend was immers het moment van boeking van de provisie door TPA in de rekening-courant van de desbetreffende tussenpersoon met de verzekeraar. Ook bij het vertrek van een tussenpersoon werd volgens[appellant] deze werkwijze gehanteerd. In zijn pleidooi is de curator hierop niet ingegaan, zodat het hof dit voor juist zal aannemen.
periode van 1 januari 2007 tot en met 16 januari 2007faalt het beroep op 42 en 43 F, nu in het licht van het voorgaande niet is onderbouwd dat het hier een onverplichte rechtshandeling betrof. Ook de onrechtmatigheid is verder niet onderbouwd.
periode van 17 januari tot en met 25 januari 2007is een beroep gedaan op artikel 47 F. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6234,
NJ2000, 578 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2435,
NJ2001, 662 , geldt als regel dat de artikelen. 42–47 F geen vernietigbaarheid meebrengen van verplichte handelingen. Op deze regel heeft de wetgever in art. 47 F slechts twee, nauwkeurig geformuleerde, uitzonderingen gemaakt, te weten (1) wanneer ‘hij die de betaling ontving wist dat het faillissement van de schuldenaar reeds aangevraagd was’ en (2) wanneer ‘de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen’. Deze regel laat geen ruimte om de in art. 47 F vermelde gronden voor vernietigbaarheid uit te breiden en de voldoening aan een opeisbare verbintenis die is geschied voordat het faillissement is aangevraagd, vernietigbaar te achten enkel omdat de schuldeiser en de schuldenaar wisten dat het faillissement van de schuldenaar onontkoombaar was. De Hoge Raad heeft voorts beslist dat voor de aanwezigheid van het in art. 47 Fw Pro bedoelde overleg vereist is dat er sprake is van samenspanning, dat wil zeggen dat niet alleen bij de schuldeiser, maar ook bij de schuldenaar het oogmerk heeft voorgezeten door de gewraakte betaling deze schuldeiser boven anderen te begunstigen (HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1676,
NJ1995, 628; HR 20 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2784,
NJ1999, 611).
doorbetalingen vanaf de faillissementsdatumstaat vast dat de Postbank deze in de boedel heeft teruggestort. In zoverre is er dus per saldo geen actief verdwenen. Dat de Postbank een vordering in het faillissement van TPA heeft ingediend leidt, wat er zij van de grondslag van die vordering, niet tot benadeling, nu indien de gewraakte betalingen niet hadden plaatsgevonden, voor in totaal hetzelfde bedrag aan vorderingen was ingediend door diegenen die deze betalingen hebben ontvangen.
grief VI in het incidenteel appelaan dat[appellant] niet had mogen beslissen om per 1 januari 2007 NAA te gaan exploiteren en dat hij in plaats daarvan met TPA verder had moeten gaan. De curator beroept zich op de artikelen 2:9 BW, 2:248 BW en 2:256 BW en stelt dat sprake is van nietigheid althans gehoudenheid tot schadevergoeding. Waar de curator deze conclusies precies op baseert, blijft echter onduidelijk, mede bezien in het licht van het feit dat alle deelnemers hun relatie met TPA per 1 januari 2007 hebben beëindigd. De door de rechtbank voor haar beslissing gegeven dragende overwegingen worden in de toelichting op de grief niet helder bestreden. De curator stelt zelfs te beseffen dat deze schadepost erg problematisch ligt en dat hij het gevoel heeft ergens een redeneerfout te maken. Aldus mist de grief een duidelijke onderbouwing en wordt deze daarom verworpen. Gelet daarop mist[appellant] belang bij de bespreking van zijn
principale grieven 34 en 35, welke opkomen tegen de door de rechtbank gegeven motivering voor haar beslissing.
principale grief 40) in zoverre.
Grief VII in het incidenteel appel, die klaagt dat de rechtbank niet minimaal het faillissementstekort heeft toegewezen faalt in zoverre.
principale grieven 1 en 2aangevoerd dat het vertrek van [A] en [B], versterkt door hun (onrechtmatige) concurrentie en het conflict tussen de aandeelhouders de oorzaak was van het faillissement van TPA en dat het gedrag van [A] en [B] moet worden toegerekend aan TPA en dat TPA daarom eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade. Het hof overweegt dat de vraag wat de oorzaken waren van het faillissement geen (verdere) bespreking behoeft gelet op wat hiervoor beslist is ten aanzien van het beroep op artikel 2:248 BW Pro. Wat betreft het beroep op eigen schuld overweegt het hof dat niet (voldoende) is onderbouwd dat ter zake van de hierboven aan[appellant] als verwijtbaar geoordeelde gedragingen (activa-onttrekkingen en voor eigen doel inzetten van personeel) anderen dan hijzelf aan de daaruit ontstane schade een causale bijdrage hebben geleverd. Het hof verwerpt daarom dit verweer, wat daarvan overigens zij.
incidentele grief VIIIklaagt over de beslissing van de rechtbank om het eindvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het belang bij die grief valt thans niet in te zien, temeer nu bedoeld vonnis zal worden vernietigd. Partijen hebben tevens gedebatteerd over de vraag of het onderhavige arrest uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard.[appellant] bepleit van niet en voert daartoe aan dat hij in geval van veroordeling cassatie zal overwegen en dat, indien hij na cassatie blijkt niets verschuldigd te zijn, hij een door hem aan de boedel betaalde veroordeling niet gerestitueerd zal zien, nu de boedel na betaling van de preferente schuldeisers niet over de middelen zal beschikken om zijn concurrente vordering uit onverschuldigde betaling te voldoen. Wel biedt hij zekerheid aan in de vorm van een bankgarantie. De curator heeft het door[appellant] gestelde onvoldoende betwist. Wel stelt hij dat ook de boedel een risico loopt dat[appellant] uiteindelijke de veroordeling inclusief de steeds verder oplopende proceskosten niet zal kunnen voldoen en dat[appellant] daarom op zijn minst de bankgarantie moet stellen. Het hof overweegt dat het aanzienlijke restitutierisico in geval van uitvoerbaar bij voorraadverklaring evident is, gelet op wat onweersproken daarover is gesteld. Daar staat tegenover het belang van de boedel om zekerheid te hebben. Het hof zal daarom gelet op het door[appellant] gedane aanbod, het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren vanaf veertien dagen na betekening, uitsluitend indien door[appellant] binnen die termijn geen bankgarantie is gesteld voor een bedrag gelijk aan de hierna uit te spreken veroordeling inclusief proceskostenveroordeling.
grief 4 in het principaal appelklaagt[appellant] dat de curator in eerste aanleg op onduidelijke wijze heeft geprocedeerd en dat de rechtbank hem de gelegenheid had moeten geven zich nogmaals uit te laten. Nu het onderhavige hoger beroep[appellant] de gelegenheid biedt zijn standpunten opnieuw naar voren te brengen en hij daar uitgebreid gebruik van heeft gemaakt, mist[appellant] belang bij de bespreking van deze grief.
grief 5 in het principaal appelbetoogt[appellant] dat hij nooit tot meer aansprakelijk kan zijn dan het faillissementstekort. Deze grief behoeft geen bespreking nu[appellant] in totaal wordt veroordeeld tot (€ 32.706,65 plus € 25.400,- plus € 23.251,85 =) € 81.357,50 (vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 mei 2008, waartegen geen zelfstandige grief is aangevoerd) en het hof uit het over en weer gestelde afleidt dat volgens beide partijen dit bedrag in ieder geval minder zal zijn dan het faillissementstekort.
principale grief 6, over de positie van aandeelhouders in het faillissement, ontbreekt het belang gelet op de hiervoor gegeven oordelen.
“overkoepelende grief” (mvg 3.1) en de principale grieven 7, 36 tot en met 39 en 41 tot en met 47 en 49missen naast de overige grieven zelfstandige betekenis. Hetgeen in de toelichting op die grieven is aangevoerd heeft het hof betrokken bij de beoordeling van de overige grieven.
Principale grief 48komt hierna aan de orde.
principale grief 48) overweegt het hof dat vast is komen te staan dat[appellant] op een aantal onderdelen onrechtmatig heeft gehandeld en een substantieel bedrag aan schadevergoeding dient te voldoen. Weliswaar worden andere aanzienlijke schadeposten afgewezen, doch dat neemt niet weg dat de curator moest procederen voor het toewijsbare deel. Het hof zal dan ook[appellant] als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van de eerste aanleg. Het hof zal bij de begroting van het te liquideren salaris echter wel aanknopen bij het thans toewijsbaar geoordeelde deel van de vordering. De kosten worden begroot op € 4.855,80 aan verschotten en € 4.470,- (5 punten x € 894,-) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
principaal appelis in zoverre gegrond dat van het in eerste aanleg toegewezen en in het principaal bestreden bedrag van € 102.690,80 een bedrag van € 61.837,47 (schadepost a) alsnog zal worden afgewezen. Nu partijen aldus in ongeveer gelijke mate in het (on)gelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van het principaal hoger beroep compenseren, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt .
incidenteel appelis in zoverre gegrond dat inzake schadepost (b) een bedrag van € 16.353,32 meer zal worden toegewezen dan het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 16.353,33 en dat de in eerste aanleg afgewezen schadepost (c) ten bedrage van € 23.251,85 alsnog zal worden toegewezen. Daar staat tegenover dat de in eerste aanleg afgewezen en door het incidenteel appel bestreden (delen van) schadeposten (a) ad (180.000 minus 61.834,47 =) € 118.162,53,-, (d) ad € 60.000,- althans € 24.208,89, (g) ad € 48.722,11 en