Uitspraak
[appellant],
1.Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen U.A.,
Leeuwarder Onderlinge,
2.Coöperatieve Rabobank Burgum - De Lauwers e.o. U.A.,
Rabobank,
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 februari 2012,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord van Leeuwarder Onderlinge
- de memorie van antwoord van Rabobank, tevens van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bij arrest, geheel en al uitvoerbaar, de vorderingen van [appellant] afwijst, althans hem daarin niet-ontvankelijk en [appellant] veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties".
3.De beoordeling
Leeuwarder Onderlingebestaat uit de vernietiging van de verzekeringsovereenkomsten, het nalaten tijdig beide andere betrokkenen te informeren over de mogelijke gebreken in de zin van artikel 251 K., alsmede de weigering schade-uitkeringen te doen en voor
Rabobankuit de onzorgvuldige uitvoering van de overeenkomst van opdracht bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten, alsmede het nalaten tijdig beide andere betrokkenen te informeren over de mogelijke gebreken in de zin van artikel 251 K.
grief I in het principaal appelvoert [appellant] aan dat voor een succesvol beroep op artikel 251 K (oud) dient te zijn voldaan aan het relevantie- en verschoonbaarheidsvereiste en dat daar in dit geval niet aan is voldaan.
grief II in het principaal appelbetoogt [appellant] dat de rechtbank Leeuwarder Onderlinge had moeten belasten met het bewijs dat zij de verzekering niet zou zijn aangegaan indien zij op de hoogte was geweest van het strafrechtelijk verleden van [appellant].
grief III in het principaal appelvoert [appellant] aan dat het beroep door Leeuwarder Onderlinge op artikel 251 K naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze klacht keert terug in de toelichting op grief V in het principaal appel.
kenbaarheidvereisteis daarmee voldaan, hetgeen op zichzelf ook niet wordt bestreden.
kennisvereisteis daarmee eveneens voldaan. Gezien de aard en ernst van deze misdrijven en de recente veroordeling in januari 2000, acht het hof voldoende aannemelijk dat Leeuwarder Onderlinge als redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet, althans niet op dezelfde voorwaarden was aangegaan indien zij van deze feiten op de hoogte was geweest. Door [appellant] is onvoldoende aangevoerd dat hier afbreuk aan zou kunnen doen. Het feit dat “slechts” geldboetes zijn opgelegd, doet niet af aan de relevantie van beide veroordelingen, te weten voor misdrijven waarbij de moraliteit van de betrokkene in het geding is. Ook aan het
relevantievereisteis daarmee voldaan. Voor een bewijsopdracht aan Leeuwarder Onderlinge als bepleit in grief II ziet het hof dan ook geen aanleiding.
verschoonbaarheidsvereisteis derhalve voldaan.
incidenteel appelis gericht tegen de door de rechtbank gevolgde bewijslastverdeling. Het is “voorwaardelijk” ingesteld, echter zonder dat een voorwaarde is geformuleerd. Daar komt bij dat de devolutieve werking van het principaal hoger beroep meebrengt dat het hof zich ook ambtshalve dient te buigen over de juistheid van de bewijslastverdeling (Hoge Raad, 30-03-2012,
LJN: BU3160, NJ 2012, 582).
LJNAK3701 en HR 20-01-2012,
LJNBU3100). Aan de onderhavige akte komt geen dwingend bewijs toe in de verhouding tussen [appellant] en Rabobank, nu uit die akte niet blijkt van hun bedoeling zich jegens elkaar bewijsrechtelijk te binden.
verholen grief(zie MvA onder 7), inhoudende dat de rechtbank ten onrechte tijdens de getuigenverhoren [appellant] heeft toegestaan ook bewijs te leveren van zijn hiervoor onder (ii) bedoelde verwijt, terwijl dit niet in het tussenvonnis van 10 oktober 2007 was bepaald. Het hof overweegt dat Rabobank geen belang heeft bij deze klacht, omdat bedoeld verwijt in ieder geval thans mede grondslag vormt van het gevorderde en de bewijslast ter zake daarvan op [appellant] rust.
principaal appel.
grieven IV en V in het principaal appelkomen erop neer dat de rechtbank in de zaak tegen Rabobank [appellant] ten onrechte met bewijs heeft belast omdat het beroep door Leeuwarder Onderlinge op artikel 251 K heeft te falen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof [appellant] daarin niet volgt. De grieven falen.
grief VIklaagt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet is geslaagd in het (tegen)bewijs dat [Y] hem de vraag naar het strafrechtelijk verleden niet heeft gesteld en dat [appellant] het aanvraagformulier direct heeft ondertekend onmiddellijk nadat [Y] het had ingevuld, zonder het eerst nog te lezen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3.12 is overwogen, ligt de bewijslast bij [appellant]. Het hof zal mede aan de hand van de getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het kader van het door de rechtbank opgedragen tegenbewijs beoordelen, of dit bewijs voorhanden is.
LJN: ZC1688). Zodanig bewijs is niet voorhanden. De verklaring van zijn echtgenote dient met de nodige reserve te worden beoordeeld gezien haar afgeleide belang bij de uitkomst van de procedure. Bovendien sluit haar verklaring op essentiële punten niet aan bij die van [appellant]. Het hof verwijst wat dat betreft naar wat de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. De verklaring van [Y] biedt geen steun aan die van [appellant], eerder doet zij daar afbreuk aan. Aanvullend bewijs is op dit punt door [appellant] niet aangeboden. De grief faalt. Het hof zal er van uitgaan dat [Y] de vraag naar het strafrechtelijk verleden aan [appellant] heeft gesteld en die vraag op aangeven van [appellant] met “nee” heeft beantwoord en voorts dat [appellant] het formulier heeft gelezen alvorens het te hebben ondertekend.
LJNAF0122).
grief XIklaagt [appellant] dat de rechtbank de getuigen [X],[A en B] niet opnieuw heeft gehoord, alvorens te beslissen vanwege de discrepantie tussen deze verklaringen. [appellant] biedt bewijs aan van de onwaarheid van de verklaringen van[A en B]. Het hof overweegt dat gelet op de reserves die passen bij de verklaring van [X] (zie hiervoor onder 3.3.22) geen reden bestaat tot het nader verhoren van de genoemde getuigen. [appellant] heeft ook onvoldoende concreet gesteld wat deze getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan (vergl. HR 11-03-2011,
LJNBO9624). De grief faalt.