Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:997

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23-000774-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeelde voor twee ernstige gewapende overvallen met toepassing volwassenenstrafrecht

De verdachte heeft zich binnen één week samen met anderen schuldig gemaakt aan twee ernstige gewapende overvallen. Het hof heeft in hoger beroep het sanctiestelsel voor minderjarigen versus volwassenen opnieuw beoordeeld en besloten het volwassenenstrafrecht toe te passen, mede op advies van deskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 403 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur. De advocaat-generaal eiste een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 960 uur. Het hof legt een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur.

De verdachte was minderjarig bij de eerste overval en meerderjarig bij de tweede. Het hof wijst een verzoek tot splitsing van zaken af vanwege het verband tussen de feiten. De verdachte heeft een strafblad en liep een proeftijd bij het plegen van de feiten. Diverse rapportages tonen dat hij stappen heeft gezet in zijn behandeling en een gemiddeld recidiverisico heeft.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding wordt deels toegewezen: €4.000 immateriële en €587,24 materiële schade. De rest van de vordering moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof verklaart inbeslaggenomen geld en telefoon verbeurd. De dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden wordt opgeheven vanwege het lage recidiverisico.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf (waarvan 24 maanden voorwaardelijk) en 240 uur taakstraf, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000774-25
datum uitspraak: 19 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-002724-24 (zaak A) en 13-080868-24 (zaak B), alsmede 13-118808-23 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2005,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2025 en 5 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Verzoek tot splitsing van zaken

De raadsvrouw van de verdachte heeft bij pleidooi verzocht om de twee in eerste aanleg gevoegde zaken te splitsen, zodat de verdachte ten aanzien van zaak A volgens het jeugdstrafrecht kan worden berecht. Het hof wijst dit verzoek van de raadsvrouw af en overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het bepaalde in artikel 495 Wetboek Pro van strafvordering (Sv) als uitgangspunt heeft te gelden. Uit het vierde en zesde lid van dit artikel volgt dat de rechter in geval van gezamenlijke behandeling van strafbare feiten die zijn begaan vóór én nádat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, met inachtneming van de ontwikkelingsfase van de jongvolwassen verdachte tot één straf komt en dat daarbij toepassing van het volwassenenstrafrecht het uitgangspunt is. Berechting volgens het jeugdstrafrecht vindt ingevolge het vijfde lid van dit artikel slechts plaats indien de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Artikel 285, derde lid, Sv bepaalt dat gevoegde zaken gesplitst kunnen worden indien blijkt dat geen verband tussen de zaken bestaat of dat de voeging niet in het belang van het onderzoek is. Naar het oordeel van het hof is sprake van voldoende verband tussen de strafbare feiten van zaak A en zaak B, die allen in het tijdsbestek van één week plaatsvonden, en valt ook verder niet in te zien welk onderzoeksbelang wordt gediend met een splitsing van de zaken.
Het hof ziet op grond van al het voorgaande geen reden om de zaken te splitsen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen, de maatregel van dadelijke uitvoerbaarheid en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] alsmede de bij die vordering opgelegde schadevergoedingsmaatregel, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Het hof leest de bewezenverklaring van zaak A feit 1 met schrapping van de woorden “doe rustig ik ga je echt schieten”. De betekenis van die schrapping is beperkt en verandert niets aan de kwalificatie, zodat die een bevestiging niet in de weg staat. Het hof overweegt aanvullend zoals hierna weergegeven.

Aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank

In hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van de onderdelen op de tenlastelegging onder feit 1, zaak A, die zien op de bedreiging in de winkel “doe rustig ik ga je echt schieten” en de bedreiging in het magazijn “ik ga je doodschieten”. De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van deze onderdelen sprake is van onvoldoende steunbewijs voor bedreigingen met de dood.
Het hof heeft niet de overtuiging dat aangeefster in de winkelruimte met de hiervoor bedoelde woorden is bedreigd, omdat niemand van de overige aanwezigen heeft verklaard over een dergelijke bedreiging en het op de beelden niet is te horen. Het hof is wel overtuigd, ondanks dat daar geen geluidsopnames van zijn, dat zij door de verdachte in het magazijn is bedreigd, zoals zij heeft verklaard. De overtuiging van het hof dat aangeefster in het magazijn is bedreigd wordt namelijk kracht bijgezet doordat het hof op de camerabeelden met geluidsopname (ch5, op tijdstippen 44.20 min. en 45.13 min.) aangeefster direct na het incident tot twee keer toe hoort zeggen, tegen getuige [getuige] en daarna de verbalisant, dat de verdachte “achter” heeft gedreigd met de woorden “Ik ga je doodschieten.”.
Het door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweer wordt verworpen.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 403 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank de bijzondere voorwaarden van het meewerken aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding, een behandeling vanuit De Waag, het maken van een weekschema met de reclassering, een contactverbod met de mededaders en slachtoffers en een gebiedsverbod opgelegd en dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank een taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De eis van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder zaak A feit 1 en 2, en zaak B feit 1 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de advocaat generaal gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, het vinden en behouden van passende dagbesteding, het geven van openheid van sociale contacten, een contactverbod met de mededaders en slachtoffers en een gebiedsverbod wordt opgelegd, dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een taakstraf gevorderd voor de duur van 960 uren met aftrek van het resterende deel van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht de verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten, gecombineerd met de maximale taakstraf en een forse voorwaardelijk straf met als voorwaarden het voortzetten van de ingezette behandelingen en toezicht.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft zich in hoger beroep bij de beslissing over het toe te passen sanctiestelsel en de op te leggen straffen en maatregel laten leiden door de persoon van de verdachte, zoals die naar voren is gekomen ter zitting, in de diverse over hem opgestelde rapportages en in hetgeen de deskundigen ter zitting in hoger beroep over hem naar voren hebben gebracht. Tevens heeft het hof de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan meegewogen in haar oordeel. Het hof neemt - met gedeeltelijke overname van onderdelen uit de overwegingen van de rechtbank - daarnaast in het bijzonder het volgende in beschouwing.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van één week samen met anderen schuldig gemaakt aan twee
ernstige gewapende overvallen. Met de rechtbank acht het hof de beelden van het incident in het [bedrijf 2] zeer zorgelijk. Op de beelden is te zien dat de klanten in de winkel op de grond moesten liggen en werden gedwongen om naar de hoek van de winkel te kruipen. Vervolgens is de
medewerkster van de winkel door de verdachte onder bedreiging van een wapen gedwongen om naar
het magazijn te lopen. Het wapen was hierbij op haar hoofd gericht en er werd gezegd dat er geschoten
zou gaan worden. Uit het dossier blijkt dat dit misdrijf een grote impact heeft gehad op de medewerkster en de klanten in de winkel. Zij ervaren nog steeds enorme hinder van die angstige en onveilige situatie. Met de rechtbank neemt het hof dit de verdachte zeer kwalijk.
De verdachte heeft vervolgens een paar dagen later, toen hij net 18 jaar was geworden, een alarmpistool
en een bivakmuts geleverd aan twee minderjarige medeverdachten om een overval te plegen. Deze
medeverdachten hebben met dat wapen een overval op de [bedrijf 1] gepleegd. Daarnaast hebben zij de
aanwezigen bedreigd met een vleesmes. Deze aanwezigen: de eigenaar, een jonge medewerker, een
kennis van de eigenaar en een klant, zijn tijdens deze overval enorm angstig geweest. Dat volgt ook
uit hetgeen ter zitting in eerste aanleg door en namens verschillende slachtoffers naar voren is gebracht. Zij hebben hier nog steeds psychisch last van. Slachtoffer [slachtoffer 1] , die als klant in de [bedrijf 1] aanwezig was, heeft bovendien blijvend letsel in zijn gezicht opgelopen omdat hij door een medeverdachte met het mes
werd geraakt. Daarnaast heeft een dergelijke overval ook impact op de maatschappij in het algemeen.
De overval is uitgebreid in het nieuws geweest en dit soort gebeurtenissen boezemen mensen angst in.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van 2 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewapende overval en dat hij ten tijde van het plegen van onderhavige feiten nog in een proeftijd liep. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan en dat baart het hof grote zorgen.
Het hof heeft daarnaast kennis genomen van diverse rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:
  • een psychologisch rapport Pro Justitia, opgemaakt door [deskundige 1] , GZ-psycholoog en [deskundige 2] , kinder- en jeugdpsychiater, op 5 december 2024 en een aanvulling op dit rapport van 16 januari 2025;
  • de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, waaronder het rapport van 29 september 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en een aanvulling op dit rapport van 19 januari 2026;
  • de rapporten van de JBRA, waaronder het meest recente rapport van 19 januari 2026.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de reclassering een update gegeven over de verdachte. De reclassering heeft naar voren gebracht dat de verdachte alle afspraken nakomt, zich aan de voorwaarden houdt en dat er binnenkort een afsluitend gesprek zal plaatsvinden bij De Waag. De reclassering heeft gemerkt dat de behandeling van de verdachte bij De Waag heeft geholpen. De verdachte is zich opener gaan opstellen, waardoor de gesprekken met hem meer inhoud en diepgang hebben gekregen. De verdachte heeft bovendien een beter besef gekregen van oorzaak en gevolg van zijn handelen. De reclassering beaamt dat de verdachte naar voren komt als een jongen die weloverwogen keuzes maakt en dat hij op dit moment de keuze maakt om niet te recidiveren. Zij schatten het risico op recidive in als gemiddeld. In geval van een deels voorwaardelijke straf adviseert de reclassering de voorwaarden van een meldplicht, het meewerken aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding, het geven van openheid over sociale contacten, een locatieverbod en een contactverbod met de slachtoffers en mededaders.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de Raad voor de Kinderbescherming aangegeven nog steeds achter het advies van de psycholoog en psychiater te staan. De verdachte dient voor de beide overvallen volgens het volwassenenstrafrecht te worden berecht. De verdachte bevindt zich in de afsluitende fase van zijn behandeling bij De Waag. De Raad voor de Kinderbescherming ziet dat de verdachte hard heeft gewerkt aan zijn behandeling bij De Waag en dat hij stappen heeft gezet. Met de andere deskundigen is de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat de verdachte in staat is om weloverwogen keuzes te maken en dat de invloed van de reclassering daarop verder minimaal zal zijn. Verder geeft de Raad voor de Kinderbescherming het hof mee dat de verdachte als (indirect) slachtoffer van de toeslagenaffaire, een geschiedenis kent waarin het vertrouwen in mens en samenleving is aangetast. Dat vertrouwen is de afgelopen periode langzaam weer opgebouwd. Een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan de groei die de verdachte heeft laten zien weer teniet doen, aldus de vertegenwoordigster van de Raad.
Het toe te passen sanctiestelsel
Het hof heeft in hoger beroep opnieuw gekeken naar de vraag of het sanctiestelsel voor minderjarigen of voor volwassenen moet worden toegepast. Het hof heeft daarbij oog gehad voor de gedachten van De Waag hierover, zoals verwoord in het aanvankelijke rapport van de Jeugdreclassering, en heeft de discussie die hierover is gevoerd in eerste aanleg bij zijn afwegingen betrokken. De verdachte was ten tijde van de overval op het [bedrijf 2] minderjarig (de overval was vier dagen voor zijn achttiende verjaardag) en ten tijde van de overval op de [bedrijf 1] meerderjarig (de overval was drie dagen na zijn achttiende verjaardag). Zoals hierboven onder “Verzoek tot splitsing van zaken” al kort is aangestipt, is het uitgangspunt in een dergelijk geval dat berechting geschiedt volgens het volwassenenstrafrecht. Enkel wanneer de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Het gemotiveerde advies van de psycholoog, psychiater, de Raad voor de Kinderbescherming en de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen is in hoger beroep ongewijzigd gebleven. Ook het hof heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen aanleiding gezien om van de hoofdregel af te wijken en zal daarom het sanctiestelsel van het volwassenenstrafrecht toepassen. Het hof benadrukt dat dit onverlet laat dat de persoon van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en in het bijzonder zijn jeugdige leeftijd nog steeds veel gewicht in de schaal leggen bij de vraag wat een passende straf is.
Gevangenisstraf en taakstraf
Het hof acht het passend om een gevangenisstraf in onvoorwaardelijke en in voorwaardelijke vorm en een taakstraf op te leggen. Het stelt voorop dat die combinatie wettelijk alleen mogelijk is als geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan zes maanden wordt opgelegd. De verdachte heeft al ruim zeven maanden in voorlopige hechtenis verbleven.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de
verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt het hof dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, conform de eis van de advocaat-generaal, passend en geboden is. Bij de duur van de proeftijd heeft het hof er acht op geslagen dat die proeftijd vanwege de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden reeds op de datum van het vonnis is aangevangen en dus bijna een jaar loopt. Het hof bepaalt opnieuw de duur van de (resterende) proeftijd op twee jaar, zonder de reeds verlopen proeftijd daarop in mindering te brengen.
Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof de door de reclassering ter terechtzitting in hoger beroep geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden van een meldplicht, het meewerken aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding en een contactverbod met de slachtoffers en mededaders. Het hof ziet onvoldoende grond voor een bijzondere voorwaarde die er in het algemeen op neer komt dat de verdachte gehouden is openheid te geven over zijn sociale contacten.
Het hof legt hiermee een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op die van aanzienlijke duur is. Daarmee heeft het hof enerzijds de ernst van de feiten tot uitdrukking willen brengen en anderzijds de verdachte een stevige stok achter de deur willen geven. De voorwaardelijke straf zal hij uit moeten zitten als hij opnieuw een strafbaar feit pleegt. De verdachte heeft sinds zijn behandeling bij De Waag inzet getoond en stappen gezet. Hij is bezig met een opleiding en heeft werk gevonden waarmee hij de schadevergoeding van de slachtoffers probeert af te betalen. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de overtuiging gekregen dat de verdachte meer inzicht heeft gekregen in het verwerpelijke van zijn handelen en wat hij de slachtoffers heeft aangedaan.
De ernst van de feiten rechtvaardigen hier bovenop een taakstraf, om er voor te zorgen dat de verdachte de consequenties van zijn handelen ervaart. Daarom zal het hof aan de verdacht een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, met aftrek van het resterende deel voorarrest. Anders dan door de advocaat-generaal geëist, ziet het hof onvoldoende grond om een langere taakstraf op te leggen dan door de rechtbank opgelegd, gelet op de positieve stappen die de verdachte sinds het vonnis van de rechtbank heeft genomen, de voorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf die het hof zal toewijzen met omzetting naar een taakstraf van 180 uren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Anders dan de rechtbank ziet het hof gelet op het laag-gemiddeld risico op recidive geen aanleiding meer om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan het voorwaardelijke strafdeel.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen en de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 90 dagen zal worden omgezet in een taakstraf voor de duur van 180 uren.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om tot eenzelfde overweging te komen als de rechtbank en de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 90 dagen om te zetten in een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof zal net als de rechtbank en conform de eis van de advocaat-generaal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest gelasten.

Beslag

Verbeurdverklaring
Onder de verdachte is een contant geldbedrag en een telefoon in beslag genomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaard worden. De raadsvrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Het hof gaat over tot verbeurdverklaring van beide goederen omdat het hof is gebleken dat het geld uit een door de verdachte gepleegd misdrijf afkomstig is, namelijk de overval op het [bedrijf 2] (zaak A). De telefoon van de verdachte wordt verbeurd verklaard omdat het bewezenverklaarde in zowel zaak A als zaak B met behulp van deze telefoon is begaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.282,78. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.282,78. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Ter zitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering kort toegelicht en binnen de grenzen van haar aanvankelijke vordering verhoogd voor wat betreft de materiële schade.
De officier van justitie heeft ten aanzien van deze vordering tot schadevergoeding geadviseerd om aansluiting te zoeken bij het oordeel van de rechtbank.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade is het aannemelijk dat benadeelde partij psychisch letsel heeft overgehouden aan het incident. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij zich erg bedreigd heeft gevoeld tijdens het incident. Er is een vuurwapen op haar gericht en zij is gedwongen om mee te lopen naar de achterkant (naar het magazijn) van de winkel. Daar is het vuurwapen op haar voorhoofd gericht. Op dat moment vreesde zij voor haar leven. De benadeelde partij stelt ook in het dagelijks leven nog steeds last te hebben van het incident. Op grond van de door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht het hof in dit geval een bedrag van € 4.000,- redelijk en zonder nader onderzoek of verdere onderbouwing toewijsbaar. Ook in de strafzaak tegen de medeverdachte is dit bedrag toegewezen.
Het hof wijst ook een bedrag van € 587,24 aan materiële schade toe. Dit bedrag is voldoende onderbouwd en niet betwist. Voor de behandeling van het resterende deel van de vordering is nader onderzoek nodig. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 47, 77b en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] alsmede de in die vordering opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en het daaraan verbonden toezicht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
24 (vierentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- de medeverdachten:
  • [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedag 2] 2008 te [geboorteplaats 2] );
  • [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedag 3] 2006 te [geboorteplaats 3] in [geboorteland]);
  • [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedag 4] 2007 te [geboorteplaats 4] );
- de slachtoffers:
  • [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 5] 1993);
  • [getuige] (geboren op [geboortedag 6] 1986);
  • [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 7] 1977);
  • [slechtoffer] (geboren op [geboortedag 8] 1984);
  • [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedag 9] 1971);
  • [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedag 10] 1980;
  • [slachtoffer 5] (geboren op [geboortedag 11] 2007);
  • [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 12] 1993);
  • [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedag 13] 1975).
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht voor zover dat voorarrest de duur van zes maanden heeft overschreden, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel, omschrijving: PL1300-2023283667-G6449863, grijs, merk: Apple;
- € 580,- IGB: 16-01-2024, omschrijving: PL1300-2023283667-G6449946.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-002724-24 onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.587,24 (vierduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) bestaande uit
€ 587,24 (vijfhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-002724-24 onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.587,24 (vierduizend vijfhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 587,24 (vijfhonderdzevenentachtig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 december 2023.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2023 met parketnummer 13-118808-23, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek, een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. C.J. van der Wilt en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2026.
Mr. M.J.A. Duker en mr. A.W.T. Klappe zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]