Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:954

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
23-002008-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor fietsendiefstal, bedreiging en overtreding APV in Zandvoort

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor twee fietsendiefstallen, bedreiging en het vervoeren van inbrekerswerktuigen in Zandvoort. De verdachte werd vrijgesproken van één fietsendiefstal omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat hij de persoon op de camerabeelden was.

De feiten betreffen diefstal van fietsen op 25 maart en 25 mei 2025, bedreiging van een persoon op 9 mei 2025 met woorden van dreigende aard, en het op 2 juni 2025 bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. De verdachte ontkende de bedreiging, maar getuigenverklaringen en het dossier overtuigden het hof van zijn schuld.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 21 dagen waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 60 uur, en een voorwaardelijke geldboete van 140 euro met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast is beslag gelegd op de inbrekerswerktuigen en een fiets met hulpmotor, waarvan de voorwerpen verbeurd zijn verklaard. De schadevergoeding aan de benadeelde partij is vastgesteld op €2.833,99.

De verdachte heeft een eerdere veroordeling voor diefstal en volgt een traject bij het Leger des Heils. Het hof heeft dit meegewogen bij de strafoplegging. De tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf is gelast vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 dagen gevangenisstraf waarvan 17 voorwaardelijk, 60 uur taakstraf en voorwaardelijke geldboete van 140 euro, vrijspraak van één fietsendiefstal en toewijzing schadevergoeding.

Uitspraak

nnn
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002008-25
datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 15-170134-25 en 15-090058-24 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Zandvoort een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Zandvoort een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Zandvoort [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen waar bemoei je je mee mietje. Kom neus staan dan met me. Ik sla je hele kop in puin. Ik sla je helemaal dood, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Zandvoort een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Zandvoort, op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, te weten een slijpmachine, een tang, een lamellenschijf ten behoeve van een slijpmachine en een schroevendraaier , heeft vervoerd en/of bij zich heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring dan de politierechter komt.

Vrijspraak

Met zowel de advocaat-generaal als de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De betreffende fiets is niet bij de verdachte aangetroffen en gelet op de kwaliteit van de camerabeelden en het beperkte aantal te onderscheiden kenmerken van de persoon op de beelden (de dader), is bij gebrek aan overige steun daarvoor niet vast te stellen dat de verdachte die persoon is.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de overige feiten

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder feit 1, 3, 4 en 5 aan hem tenlastegelegde.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het klopt dat hij een discussie heeft gehad met [slachtoffer 3] op 9 mei 2025, maar heeft ontkend hem te hebben bedreigd. De verdachte heeft feit 1, 4 en feit 5 niet meer betwist.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3.
Oordeel van het hof
Uit het dossier kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden afgeleid. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de verdachte hoorde roepen over dat de aangifte die eerder tegen de verdachte was gedaan, moest worden ingetrokken. Daarna zou de verdachte [slachtoffer 3] hebben bedreigd door te zeggen: “Waar bemoei je je mee mietje. Kom neus staan dan met me. Ik sla je hele kop in puin. Ik sla je helemaal dood”. Getuige [getuige] heeft ook verklaard dat hij de verdachte heeft horen roepen over het intrekken van de aangifte. De getuige weet niet precies wat de verdachte tegen [slachtoffer 3] heeft gezegd, maar wel dat het geen leuke dingen waren. De verdachte heeft erkend dat er een hevige discussie heeft plaatsgevonden. Op basis van het dossier ziet het hof geen reden om te twijfelen aan hetgeen de aangever heeft verklaard. Hetgeen de verdachte daar tegenover stelt, vindt zijn weerlegging in het voorgaande en in de te bezigen bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 25 maart 2025 te Zandvoort een fiets, die geheel aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij op 9 mei 2025 te Zandvoort [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:
Waar bemoei je je mee mietje. Kom neus staan dan met me. Ik sla je hele kop in puin. Ik sla je helemaal dood, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.
hij op 25 mei 2025 te Zandvoort een fiets, die geheel aan [benadeelde partij] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
hij op 2 juni 2025 te Zandvoort, op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, te weten een slijpmachine, een tang, een lamellenschijf ten behoeve van een slijpmachine en een schroevendraaier, heeft vervoerd en bij zich heeft gehad;
Hetgeen onder 1, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 4 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
diefstal.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde in artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zandvoort 2017

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg feit 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 weken met aftrek van voorarrest, en ten aanzien van feit 5 tot een geldboete van 140 euro.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 60 uur.
De raadsman heeft het hof verzocht om de verdachte een taakstraf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan fietsendiefstal. Fietsendiefstal veroorzaakt hinder, schade en ergernis voor de benadeelden. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 3] . De bedreigingen hebben bij [slachtoffer 3] de vrees opgewekt fysiek door de verdachte te worden aangevallen en hebben hem in zijn persoonlijke integriteit aangetast.
Het hof zal rekening houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft acht geslagen op een op de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk veroordeeld is terzake diefstal. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij momenteel in een vrijwillig traject zit bij het Leger des Heils en wil werken aan zijn verslavingsproblematiek. De verdachte gaat binnenkort naar beschermd wonen en vanaf daar kan hij doorstromen naar een plek voor begeleid wonen. Het hof acht een en ander aannemelijk geworden. De verdachte heeft aangegeven dat hij in staat is om een taakstraf uit te voeren.
Het hof acht ten aanzien van feit 1, 3, en 4, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof acht ten aanzien van feit 5 een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van het beslag conform de beslissing van de politierechter zal beslissen.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Onder de verdachte zijn de nader in het dictum gespecificeerde voorwerpen in beslag genomen.
Het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.
Met de politierechter is het hof van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een fiets met hulpmotor, dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.587,62. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.833,99. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Wegens het beperkte tijdsverloop tussen de beslissing van de politierechter in september 2025 en het hoger beroep, komt het hof niet tot een andere schatting van de dagwaarde van de fiets dan de politierechter. Het hof sluit aan bij deze schatting en wijst de vordering volledig toe tot een bedrag van € 2.833,99. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 33, 33a, 36f, 57, 62, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2:44 van Pro de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zandvoort 2017.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 november 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-170134-25 onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
17 (zeventien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-170134-25 onder 5 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 140,00 (honderdveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Slijpmachine (1736386);
- 1 STK Accu (1736383);
- 1 STK Slijpschijf (1736387);
- 1 STK Schroevendraaier (1736396);
- 1 STK Dopsleutel (1736397).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Fiets met hulpmotor (1736389).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.833,99 (tweeduizend achthonderddrieëndertig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.833,99 (tweeduizend achthonderddrieëndertig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 mei 2025.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 november 2024, parketnummer 15-090058-24, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
- een taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]