De betrokkene is in eerste aanleg veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van flessentrekkerij. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelde het bedrag vast op €6.200 en legde een betalingsverplichting van €5.580 op.
In hoger beroep bevestigt het hof het vonnis, behalve de betalingsverplichting die wordt vernietigd en opnieuw vastgesteld op €5.000. Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vijf jaar tussen aankondiging en vonnis, wat zwaar meeweegt in de vermindering van de betalingsverplichting.
Het draagkrachtverweer van de betrokkene wordt verworpen omdat onvoldoende concreet en onderbouwd is aangetoond dat hij niet kan betalen. Medische en financiële stukken zijn onvoldoende. De draagkracht kan in de executiefase alsnog worden beoordeeld.
Het hof legt de betrokkene een betalingsverplichting van €5.000 op en bevestigt het vonnis voor het overige. Tevens wordt de duur van de gijzeling op 50 dagen gesteld als dwangmiddel bij niet-betaling.