Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:886

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23-002408-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 167 SvArt. 30 SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring OM in diefstal met geweld jeugdzaak

In deze jeugdzaak is het Openbaar Ministerie in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard wegens gerechtvaardigd vertrouwen van de verdachte dat hij niet vervolgd zou worden. Het hof oordeelt echter dat de mededelingen die dit vertrouwen zouden hebben gewekt, afkomstig waren van niet-bevoegde administratief medewerkers en dat de raadsvrouw van de verdachte had moeten begrijpen dat de zaak van voldoende gewicht was om vervolging te rechtvaardigen.

De verdachte werd op de dag van het delict in verzekering gesteld en verhoord, waarna hij werd heengezonden. De zaak werd in de politiefase vroegtijdig beëindigd wegens capaciteitsoverwegingen, maar later alsnog aan het Openbaar Ministerie overgedragen. De raadsvrouw werd aanvankelijk verkeerd geïnformeerd over de status van de zaak, maar het hof stelt dat dit geen gerechtvaardigd vertrouwen oplevert dat vervolging achterwege zou blijven.

Het hof overweegt dat vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk verklaard kan worden, bijvoorbeeld bij aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing. Gezien de ernst van het feit en het belang van strafrechtelijke handhaving acht het hof de vervolging gerechtvaardigd. Het vonnis van de kinderrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de kinderrechter voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de kinderrechter voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002408-25
datum uitspraak: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-128109-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een pet en/of Apple AirPods, althans oordopjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voorgenoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- de keel van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of (in) die keel (dicht) te knijpen en/of
- tegen voornoemde [slachtoffer] te zeggen: "Ik sla je dood als je nog iets zegt over [verdachte]" en/of "Als je aangifte gaat doen of dit tegen iemand zegt dan ga ik je helemaal de tering in slaan" en/of "Laat los anders ga ik je total loss rammen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- één of meerdere malen tegen het glas van de tramhalte te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het oordeel over de ontvankelijkheid van Openbaar Ministerie tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. De kinderrechter heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden voor de tenlastegelegde diefstal met geweld. Door het Openbaar Ministerie is hoger beroep ingesteld.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft, met verwijzing naar haar schriftelijke zittingsaantekeningen, aangevoerd dat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. In de kern komt haar standpunt erop neer dat de twee medewerkers die per e-mail mededelingen aan de raadsvrouw over de zaak hebben gedaan, niet bevoegd waren dergelijke mededelingen te doen en slechts praktische of logistieke informatie over zaken mogen verstrekken.
Bovendien had van de raadsvrouw mogen verwacht dat zij wist, althans had moeten weten, dat een beslissing tot vroegtijdige beëindiging van de zaak een politiebeslissing is. Een dergelijke beslissing is niet mogelijk in een situatie waarin iemand als verdachte is verhoord en in verzekering is gesteld. De advocaat-generaal verwijst in dit verband naar de Aanwijzing voor de opsporing.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft primair en subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van [verdachte], omdat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij niet verder zou worden vervolgd. Daartoe is, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, in de kern het navolgende aangevoerd.
Volgens de raadsvrouw is sprake van een door het Openbaar Ministerie gedane, althans aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating waardoor [verdachte] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de zaak niet zou worden ingezonden naar het Openbaar Ministerie en dat daarom geen strafvervolging zou volgen. Dat de advocaat-generaal verwijst naar de Aanwijzing voor de opsporing en stelt dat het niet mogelijk zou zijn om de zaak niet (meer) in te sturen, kan niet aan [verdachte] worden tegengeworpen. Bovendien werden dergelijke mededelingen vaker door medewerkers van het klant Contact Centrum gedaan.
Als het hof van oordeel is dat [verdachte] niet op deze mededelingen mocht vertrouwen, stelt de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat geen sprake is van een redelijke en billijke belangenafweging. Door de verdere vervolging na een door het Openbaar Ministerie gemaakte fout, wordt [verdachte] onevenredig in zijn belangen geraakt, terwijl het Openbaar Ministerie met die belangen onvoldoende rekening heeft gehouden.
Voor het geval het hof van oordeel is dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, heeft de raadsvrouw meer subsidiair verzocht de zaak terug te wijzen naar de kinderrechter, omdat [verdachte] belang heeft bij een inhoudelijke behandeling in twee feitelijke instanties.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, namelijk wanneer het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan het gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, echter in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742 en HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:619).
Een dergelijk uitzonderlijk geval kan zich ook voordoen wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, in dit verband ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280 en HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23).
In dat verband overweegt het hof als volgt.
Op 16 april 2025 heeft een diefstal met (bedreiging van) geweld plaatsgevonden. De verdachte is in verband daarmee aangemerkt als verdachte. Hij is diezelfde dag in verzekering gesteld en de volgende dag als verdachte verhoord. Na het verhoor is de verdachte op last van de officier van justitie heengezonden. De raadsvrouw van de verdachte was bij het verhoor aanwezig.
Uit het dossier blijkt dat de raadsvrouw op 21 april 2025 per e-mail een verzoek ex artikel 30 Sv Pro heeft ingediend tot kennisneming van de stukken uit het dossier. Op dit verzoek is op 22 april 2025 tweemaal gereageerd. De eerste reactie (om 08:43 uur) was afkomstig van een medewerker van het Klant Contact Centrum van het Openbaar Ministerie. De medewerker heeft het volgende geantwoord: “
Ik zie dat de zaak in de politiefase vroegtijdig is beëindigd wegens capaciteitsoverwegingen. De zaak is dan ook afgedaan en komt niet bij het Openbaar Ministerie”. Diezelfde dag (om 18:03 uur) heeft een administratief medewerker van Team Maatwerkzaken, afdeling 30Sv-verzoeken van het Openbaar Ministerie het volgende bericht verzonden: “
Hierbij reageer ik op uw mail en de vraag die u daarin stelt. Deze zaak is bij de politie vroegtijdig beëindigd. Deze zaak wordt niet ingezonden naar het OM. Ik adviseer u dan ook telefonisch contact met de politie voor meer inhoudelijke informatie over dit dossier”.
Nog geen twee weken later, op 4 mei 2025 heeft de raadsvrouw een e-mail gestuurd aan het Openbaar Ministerie. Daarin merkt zij op dat zij ziet dat het strafdossier onder de naam van de verdachte is toegevoegd en vraagt zij of de zaak, ondanks de eerdere mededelingen, toch naar het Openbaar Ministerie is gezonden. Op 6 mei 2025 is per e-mail aan de raadsvrouw bevestigd dat de zaak inderdaad naar het Openbaar Ministerie is ingezonden. Dat men eerder door de politie verkeerd geïnformeerd werd en dat de zaak door zal gaan.
Gerechtvaardigd vertrouwen
Het hof staat voor de vraag of sprake is geweest van uitlatingen van de kant van het Openbaar Ministerie en of deze uitlatingen van dien aard waren dat deze bij de verdachte tot het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen leiden dat hij niet (verder) zou worden vervolgd.
Het hof stelt vast dat de uitlatingen door administratief medewerkers van het Openbaar Ministerie en daarmee van de zijde van het Openbaar Ministerie zijn gedaan. De vraag rijst vervolgens of de verdachte op die uitlatingen mocht vertrouwen en dat dit vertrouwen, gelet op alle omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd was. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt vast dat aan de voornoemde medewerkers van het Openbaar Ministerie geen bevoegdheden in verband met vervolgingsbeslissingen zijn toegekend.
Vervolgens stelt het hof vast dat de verdachte op 16 april 2025 in verzekering was gesteld en dat zijn raadsvrouw op 17 april 2025 bij het verhoor aanwezig was. Diezelfde dag, na afloop van het verhoor, is de verdachte op last van de officier van justitie heengezonden. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie reeds bij de zaak betrokken was, voordat de mededelingen van 22 april 2025 werden gedaan.
De raadsvrouw, als strafrechtadvocaat, had uit deze omstandigheden moeten kunnen afleiden dat de zaak van enig gewicht was en dat - omdat het Openbaar Ministerie al betrokken was - de politie niet zelfstandig bevoegd was om over de beëindiging van het onderzoek te beslissen. De bevoegdheid tot sepot berust in dat geval bij het Openbaar Ministerie.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de tweede e-mail van 22 april 2025, waarin de administratief medewerker expliciet schreef:
"Ik adviseer u dan ook telefonisch contact met de politie voor meer inhoudelijke informatie over dit dossier". Deze mededeling had de raadsvrouw ertoe moeten brengen om nader onderzoek te doen naar de actuele stand van zaken
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdediging er geen gerechtvaardigd vertrouwen in heeft mogen stellen, dat tegen de verdachte geen strafvervolging zou worden ingesteld op basis van de mededelingen van de medewerkers van het Openbaar Ministerie.
Redelijke en billijke belangenafweging
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, overweegt het hof dat uit de door de raadsvrouw naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing.
Het hof betrekt hierbij dat de verdachte wordt verdacht van een diefstal met (bedreiging met) geweld, en dus een feit van aanzienlijke ernst. Strafrechtelijke handhaving dient in dit verband legitieme doelen, zoals onder meer de bescherming van de samenleving. Het Openbaar Ministerie heeft bij de beslissing tot vervolging dan ook kunnen oordelen dat met deze vervolging door strafrechtelijke handhaving beschermde belangen werden gediend. De omstandigheid dat de raadsvrouw aanvankelijk ten onrechte is geïnformeerd, maakt de latere beslissing tot vervolging niet apert onevenredig.
Resumerend
Het hof verwerpt de verweren. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vordering.
Verzoek tot terugwijzing
De kinderrechter is in eerste aanleg niet toegekomen aan de behandeling van de hoofdvragen. De verdediging heeft daarom verzocht om terugwijzing van de zaak.
Het in artikel 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in zaken die aan hoger beroep zijn onderworpen aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties, brengt mee dat de zaak na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg kan worden teruggewezen naar de eerste rechter.
Omdat de verdediging een dergelijk verzoek heeft gedaan, zal het hof overeenkomstig dat verzoek beslissen. De zaak wordt teruggewezen naar de kinderrechter in eerste aanleg.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging
Wijst de zaak terug naar de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mrs. L.A.H. van Wieren en S. Pesch, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 maart 2026.