Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
beheervergoeding’ als een ‘
redelijke vergoeding voor de aan HMK Medical verstrekte lening’, voor het gebruik van activa (zoals klein inventaris) en een aan BSB Holding uitgekeerde managementfee. In de antwoordakte na tussenarrest merkt HMK daar aanvullend (randnummer 30) nog over op “
dat deze fee correct is opgenomen in de jaarrekening 2020” (..), “omdat BSB Holding voor eigen rekening en risico de onderneming HMK Medical BV drijft. BSB Holding BV heeft het financiële risico gedragen en vergoeding is daarmee op zijn plaats.
Verder heeft BSB Holding ook een machine overgedragen aan HMK Medical tegen een koopsom, welke koopsom verschuldigd is gebleven” . Ter zitting heeft het hof HMK gevraagd wie de dagelijkse leiding binnen HMK had, waarop is geantwoord dat dit [naam 1] was. Daarop heeft het hof HMK voorgehouden dat in de partnerovereenkomst staat hoe de partners (waaronder [naam 1] ) voor hun inzet binnen HMK beloond zouden worden.
operationelecash flow’, als van een volledige afbetaling van de lening vanuit de holding. [appellant] legt ‘positieve cash flow’ zo uit dat er voldoende geld op de bankrekening beschikbaar moet zijn om tot uitbetaling over te gaan. Ook hier dient uitleg conform het Haviltex-criterium plaats te vinden, waar bij dus ook de feitelijke uitvoeringshandelingen van HMK ten aanzien van de betaling van de vaste vergoedingen van betekenis zijn.
positieve cash flow’ in de bewoordingen van de partnerovereenkomst wordt gevolgd door de woorden ‘
rekening houdende met de lease van de machines door de Rabobank en de inkoopfinanciering door Ebury’. De kennelijke strekking van deze toevoeging is dat gelden op de bankrekening die bestemd zijn voor leasekosten Rabobank en termijnen voor Ebury vóór gaan, zodat met die gelden rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de ‘
positieve cash flow’. Een dergelijk voorbehoud is slechts begrijpelijk binnen de door [appellant] voorgestane uitleg: de beide voorbehouden houden een opsomming in van de kostenposten die vóórgaan uit de beschikbare middelen. Pas als er na de ‘reserveringen’ voor die beide posten nog ‘cash’ beschikbaar is dan kan tot uitbetaling van de vaste maandvergoedingen worden overgegaan. Als de aflossing van de schuld aan de holding ook voor zou moeten gaan, dan had voor de hand gelegen die post in deze rij op te nemen, wat niet is geschied. Daarbij is ook van betekenis dat de uitleg van HMK, dat eerst de investeringen moeten zijn terugverdiend, ook niet voor de hand ligt omdat in dat geval in het eerste jaar sowieso niet zou kunnen worden voldaan aan het voor de basisvergoeding geldende vereiste van een positieve ‘cash flow’, hetgeen haaks staat op het feit dat er de eerste drie maanden van de overeenkomst wel maandelijkse basisvergoeding aan de partners is uitgekeerd. Door HMK is niet gesteld, noch is voldoende gebleken dat de ‘cash flow’ tussen de eerdere momenten van uitbetaling (tot en met juli 2020) en de maanden waarin niet tot uitbetaling is overgegaan (augustus e.v.) dermate ingrijpend gewijzigd is, dat er feitelijk geen ‘cash’ beschikbaar was om de vaste maandelijkse vergoeding te betalen.
positieve cash flow’ geacht moet worden te zijn voldaan. Waar de andere voormalige partners grotendeels hebben afgezien van de resterende vergoedingen waren er eind 2020 (dan wel begin 2021) voldoende middelen (‘cash’) beschikbaar om de vorderingen van [appellant] over 2020 te voldoen Ook het uiteindelijk fors hogere positieve resultaat van HMK over 2020 veronderstelt dat de over de eerste maanden ingezette lijn van bestendige betaling van de maandelijkse partnervergoedingen over de maanden augustus tot en met december 2020 had kunnen worden voortgezet. Daarmee staat vast dat ook de grief tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank slaagt.
5.Beslissing.
- over € 6.050,- vanaf 28 oktober 2020;
- over € 24.200 vanaf 15 januari 2021; en vermeerderd met de wettelijke rente
- over € 13.779,39 vanaf 16 februari 2022, tot aan de voldoening;
- in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.301,00 wegens griffierecht, vermeerderd met € 103,33 wegens explootkosten en op € 2.366,00 wegens salaris gemachtigde;
- in hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op € 783,00 wegens griffierecht, vermeerderd met € 106,73 wegens explootkosten en op € 3.927,50 wegens salaris advocaat, te vermeerderen met de explootkosten en met nasalaris indien het arrest aan HMK betekend zal worden en met de wettelijke rente over deze kostenveroordelingen vanaf 21 dagen na heden tot aan de voldoening;
- wegens beslagkosten: € 1.253,91, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 dagen na heden tot aan de voldoening;