Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:826

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
000605-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op verzoek kosten rechtsbijstand in klaagschrift- en strafzaakprocedure

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen een beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam inzake een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand. Het verzoek betrof kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand in een klaagschriftprocedure, de strafzaak zelf en de verzoekschriftprocedures in eerste aanleg en hoger beroep.

De rechtbank had de verzoeken voor vergoeding van kosten in de klaagschriftprocedure, strafzaak en verzoekschriftprocedure in eerste aanleg toegewezen. De officier van justitie stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard voor het verzoek in de klaagschriftprocedure en dat de kosten in de strafzaak bovenmatig waren.

Het hof oordeelde dat het verzoek voor de klaagschriftprocedure niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het klaagschrift ongegrond was verklaard en onherroepelijk is geworden. Voor de kosten in de strafzaak stelde het hof vast dat de vrijspraak onherroepelijk is en dat de rechtbank voldoende aannemelijk had gemaakt dat de kosten niet bovenmatig waren, met uitzondering van een post voor het te woord staan van de pers. Het hof vernietigde de beschikking en deed opnieuw recht door verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren voor het verzoek in de klaagschriftprocedure en een vergoeding van €10.568,38 toe te kennen voor de overige kosten.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard voor kosten klaagschriftprocedure en krijgt een vergoeding van €10.568,38 voor overige kosten toegewezen.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer hoger beroep: 000605-25 (530 Sv)
rekestnummer eerste aanleg: 25/000915
parketnummer strafzaak in eerste aanleg: 13/190420-21
rekestnummer beklagzaak: 21/012232
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2025 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.S. van Es,
Willemsplein 2, 5211 AK Den Bosch.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 28 juli 2025 ingesteld door de officier van justitie.
Vooraf aan de behandeling in raadkamer is een appelschriftuur van de officier van justitie en het standpunt van de advocaat-generaal ontvangen.
De advocaat van verzoeker is gevraagd vooraf aan de behandeling in raadkamer schriftelijk te reageren.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 11 februari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder d - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de beklagzaak ex artikel 552a Sv met voormeld rekestnummer ten bedrage van € 500,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 9.594,21;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

De rechtbank heeft de verzoeken onder a , b en c toegewezen.
Het appel is door de officier van justitie onbeperkt ingesteld.
- ten aanzien van het verzoek onder a -
De grieven in de appelschriftuur zien niet op de toewijzing van het verzoek onder a en de advocaat-generaal heeft zich in raadkamer op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De advocaat van appellant persisteert bij toewijzing van het verzoek. De declaratie ziet slechts op de klaagschriftprocedure bij de rechtbank, terwijl ook nog beroep in cassatie is ingesteld.
Het hof overweegt dat de gevraagde kosten van een raadsman zien op rechtsbijstand die is verleend in een klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv. Het klaagschrift is door de rechtbank Amsterdam op 14 december 2021 ongegrond verklaard. Uit het dossier blijkt dat deze beslissing met het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2023 onherroepelijk is geworden. Gelet op de termijn voor indiening van het verzoek alsook de omstandigheid dat het klaagschrift ongegrond is verklaard, had de rechtbank appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren in het verzoek onder a (Hoge Raad 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1056). Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen en appellant niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek onder a.
- ten aanzien van het verzoek onder b -
Verzoeker is in de strafzaak met voornoemd parketnummer op 23 oktober 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk. De rechtbank heeft het verzoek onder b toegewezen en daartoe als volgt overwogen.
“De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank acht die gronden aanwezig voor het verzochte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw voldoende met stukken en in raadkamer onderbouwd waarom voor een relatief klein strafdossier veel tijd is besteed aan onder meer jurisprudentieonderzoek en het opstellen van een pleitnota. Hoewel in een relatief groot deel van de pleitnota wordt geciteerd uit reeds bestaande jurisprudentie, acht de rechtbank het aannemelijk dat desondanks veel tijd aan het opstellen van de pleitnota is besteed, mede om te bepalen welke jurisprudentie onderdeel moest zijn van de pleitnota. De rechtbank acht het daarnaast voldoende aannemelijk dat de bedragen in de facturen reeds zijn verdeeld tussen verzoeker en [persoon] zodat het volledige bedrag wordt toegewezen."
Bij appelschriftuur heeft de officier van justitie gesteld zich hier niet in te kunnen vinden. Aan de zaak is ruim 27 uur besteed, wat volgens de officier van justitie in het oog springend bovenmatig is. De advocaat-generaal heeft het standpunt van de officier van justitie overgenomen.
In hetgeen is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding anders te beslissen dan de rechtbank. Het hof is het met de rechtbank eens dat voldoende aannemelijk is geworden dat niet bovenmatig is gedeclareerd en voldoende is toegelicht dat de kosten waar daartoe aanleiding was, zijn verdeeld tussen verzoeker en zijn medeverdachte. Dit met uitzondering van de door de advocaat in rekening gebrachte kosten van het te woord staan van de pers ad € 45,83: deze werkzaamheden vormen geen bijdrage aan de strafzaak en komen daarom niet voor vergoeding als kosten van rechtsbijstand in aanmerking. Het hof zal het hoger beroep in zoverre en met inachtneming van het vorenstaande afwijzen.
Om doelmatigheidsoverwegingen zal het hof de beslissing waarvan beroep geheel vernietigen en opnieuw recht doen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor:
b. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 9.548,38;
c. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.
d. kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van deze verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart verzoeker nier-ontvankelijk ten aanzien van het verzoek onder a.
Kent ten aanzien van de verzoeken onder b, c en d aan verzoeker een vergoeding toe van € 10.568,38 (tienduizend vijfhonderdachtenzestig euro en achtendertig cent).
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, H.A. van Eijk en P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 25 maart 2026.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 10.568,38 (tienduizend vijfhonderdachtenzestig euro en achtendertig cent)) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Van Es Strafrechtadvocatuur BV te ’s-Hertogenbosch o.v.v. Schadevergoeding [verzoeker] .
Amsterdam, 25 maart 2026,
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.