ECLI:NL:GHAMS:2026:826
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep op verzoek kosten rechtsbijstand in klaagschrift- en strafzaakprocedure
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen een beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam inzake een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand. Het verzoek betrof kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand in een klaagschriftprocedure, de strafzaak zelf en de verzoekschriftprocedures in eerste aanleg en hoger beroep.
De rechtbank had de verzoeken voor vergoeding van kosten in de klaagschriftprocedure, strafzaak en verzoekschriftprocedure in eerste aanleg toegewezen. De officier van justitie stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard voor het verzoek in de klaagschriftprocedure en dat de kosten in de strafzaak bovenmatig waren.
Het hof oordeelde dat het verzoek voor de klaagschriftprocedure niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat het klaagschrift ongegrond was verklaard en onherroepelijk is geworden. Voor de kosten in de strafzaak stelde het hof vast dat de vrijspraak onherroepelijk is en dat de rechtbank voldoende aannemelijk had gemaakt dat de kosten niet bovenmatig waren, met uitzondering van een post voor het te woord staan van de pers. Het hof vernietigde de beschikking en deed opnieuw recht door verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren voor het verzoek in de klaagschriftprocedure en een vergoeding van €10.568,38 toe te kennen voor de overige kosten.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard voor kosten klaagschriftprocedure en krijgt een vergoeding van €10.568,38 voor overige kosten toegewezen.