ECLI:NL:GHAMS:2026:823

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.365.461/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 512 Svartikel 40a Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep strafzaak Buizerd en Pulheim

In de strafzaak Buizerd en Pulheim is een wrakingsverzoek ingediend door de verdachte tegen de raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege diverse afwijzingen van onderzoekswensen en beslissingen rondom metadata, voorlopige hechtenis en aanhouding van de inhoudelijke behandeling.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het juridische kader omtrent rechterlijke onpartijdigheid, waarbij een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De kamer concludeerde dat de beslissingen en motiveringen van de raadsheren, ook in samenhang, niet zodanig onbegrijpelijk zijn dat zij een schijn van partijdigheid rechtvaardigen.

De verdediging had onder meer bezwaar tegen het niet toevoegen van metadata en het niet horen van bepaalde politiemensen, maar deze verzoeken werden door het hof gemotiveerd afgewezen. Ook het stellen van termijnen en de beoordeling van voorlopige hechtenis werden als wettelijk en passend beoordeeld. De wrakingskamer benadrukte dat onjuistheid of onbegrijpelijkheid van beslissingen op zichzelf geen grond voor wraking vormt.

Uiteindelijk werd het wrakingsverzoek afgewezen en de raadsheren werden geacht onpartijdig te zijn gebleven. De beslissing werd op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit J. Piena, J.F. Aalders en L. Alwin.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.365.461/01
zaaknummer hoofdzaak : 23-000731-24
Beslissing van de wrakingskamer van 26 maart 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
gedetineerd in [detentieadres] .
Als raadslieden van verzoeker zijn ter terechtzitting aanwezig mrs. J. de Haan , advocaat te Zwolle, en J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht (hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de raadslieden’ of afzonderlijk als ‘de raadsman’).

1.De procedure

1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 (de strafrechtelijke onderzoeken Buizerd en Pulheim ) waarin verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren ter zake van:
  • als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  • medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;
  • diefstal door twee of meer verenigde personen;
  • medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd
  • medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van moord.
1.2.
Op 11 februari 2026 heeft een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden waarbij door verzoeker een aantal onderzoekswensen is ingediend. Tevens heeft verzoeker verzocht zijn voorlopige hechtenis te schorsen.
1.3.
Op de zitting van 24 februari 2026 heeft het hof de beslissingen op de onderzoekswensen medegedeeld. De volgende dag, op 25 februari 2026, heeft de raadsman per e-mail een brief verzonden met daarin het verzoek tot wraking van: mrs. K.J. Veenstra, S.M.M. Bordenga en W.S. Ludwig (hierna: de raadsheren).
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 20 maart 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden;
  • Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de advocaat-generaal.
De raadsheren hebben op voorhand kenbaar gemaakt niet te zullen verschijnen.
1.5.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:
  • de aktes instellen hoger beroep door verzoeker en het Openbaar Ministerie;
  • de schrifturen van de verdediging en het Openbaar Ministerie
  • het vonnis, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBAMS:2024:1406)
  • de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting 4 oktober 2024, 23 oktober 2024, 20, 27 en 29 januari 2025, 8 april 2025, 14 juli 2025, 2 oktober 2025 en 18 december 2025;
  • de door de verdediging ter terechtzitting van 11 februari 2026 overgelegde stukken, zijnde een brief van de DJI met als onderwerp: ‘Beslissing op verzoek ex artikel 40a, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet’ en de pleitnota
  • de ingediende onderzoekswensen van de verdediging, inclusief de bijlagen: “ [verzoeker 1] . bevindingen (optimized)” en “bijlage 1 Decision_CC_160925_JDT”;
  • het standpunt van het Openbaar Ministerie en de daarbij toegezonden bijlage genaamd: “Vertaling Franse beslissing 16 september 2025”;
  • een e-mailbericht van mr. De Haan van 23 januari 2026 met als titel “Ontbrekende stukken Pulheim [verzoeker 1] (23/000731-24)” met als bijlagen: ‘schermafbeelding [nummer 1] ’ en ‘ [verzoeker 1] .ontbrekende stukken’ en de reactie daarop van de advocaten-generaal inclusief een bijlage genaamd ‘toelichting – toevoeging Pleitnota’
  • een e-mailbericht van mr. De Haan van 6 februari 2026 inhoudende het verzoek voor een groot scherm voor de aankomende zitting om de bevindingen met betrekking tot de metadata en de chatberichten met betrekking tot [nummer 2]
  • en [nummer 3] visueel te maken;
  • een e-mailwisseling tussen het Openbaar Ministerie, de raadslieden en het hof van 10 en 11 februari 2026 met als onderwerp: “Geen inzet burgerinfiltrant/ kroongetuige in Buizerd/Pulheim ”
  • het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 11 en 24 februari 2026;
  • het verzoek tot wraking van 25 februari 2026;
  • de schriftelijke reactie van de raadsheren van 9 maart 2026;
  • het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie van 11 maart 2026;
  • de tijdens de wrakingskamer (per e-mail) toegezonden pleitnota van de raadslieden.

2.Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

2.1.
De grond van het wrakingsverzoek blijkt uit het schriftelijke verzoek van 25 februari 2026 en de nadere toelichting ter zitting aan de hand van de pleitnota (zie onder 1.5). In essentie komt het wrakingsverzoek er op neer dat de raadsheren beslissingen hebben genomen die, in elk geval tezamen en in onderling verband beschouwd, zó onbegrijpelijk zijn, dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat deze zijn ingegeven door vooringenomenheid. Het belangrijkste punt betreft de beslissing ten aanzien van de metadata, maar de raadslieden hebben toegelicht dat de cumulatie van de onbegrijpelijke en ongemotiveerde beslissingen zou moeten leiden tot de conclusie van (schijn van) partijdigheid.
2.2.
Het gaat om de volgende beslissingen van het hof:
I. de afwijzing van het verzoek tot het voegen van de metadata en de ontsleutelde berichten van de telefoons die worden toegerekend aan de verdachte en de leden van het CSV;
II. de afwijzing van het verzoek tot het horen van de betrokken politiemensen van het team High Tech Crime (en/of, zo begrijpt het hof, het Crypto Analyse Team) en verbalisant 1041 met de overweging dat een aanvullend proces-verbaal van het Openbaar Ministerie volstaat;
III. de afwijzing van het verzoek om de Excelbestanden te verstrekken;
IV. het stellen van een termijn van 30 dagen aan de verdediging om de verzoeken kenbaar te maken, terwijl aan de advocaat-generaal geen termijn wordt gegeven om een aanvullend proces-verbaal op te stellen over gebreken in de metadata waar al meer dan een half jaar om verzocht wordt;
V. de beoordeling van de voorlopige hechtenis;
VI. het ongemotiveerd afwijzen van het verzoek tot aanhouding (
van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak)ondanks het feit dat mr. Roozemond geen toegang heeft tot verzoeker.
2.3.
Het Openbaar Ministerie heeft aan de hand van het op voorhand toegezonden schriftelijk standpunt (zie onder 1.5) het woord gevoerd. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen, nu uit de overwegingen van het hof geen schijn van partijdigheid kan worden afgeleid. Het hof heeft zijn beslissingen gemotiveerd. De in de motivering gebruikte bewoordingen zijn in redelijkheid niet te verstaan als blijk van vooringenomenheid bij de raadsheren jegens verzoeker. In het bijzonder heeft het Openbaar Ministerie ten aanzien van de wrakingsgronden opgemerkt:
I. de verdediging heeft verzocht om
allemetadata en ontsleutelde berichten van telefoons van verdachte en CSV-leden aan het dossier toe te voegen. De beslissing van de raadsheren is, in het licht van het ontbreken van een voldoende duidelijke specificatie van accounts en periodes, niet onbegrijpelijk;
II. de raadsheren hebben het verzoek om politiemedewerkers over de ontbrekende metadata te horen afgewezen met de motivering dat zij daartoe met het nog op komst zijnde aanvullend proces-verbaal ‘op dit moment’ geen noodzaak zien. Daarmee laat het hof de mogelijkheid open, dat als het aanvullende proces-verbaal is verstrekt en dat onvoldoende duidelijkheid verschaft, een (hernieuwd) verzoek van de verdediging wellicht anders wordt beoordeeld;
III. de motivering van de raadsheren van de afwijzing van het verzoek tot verstrekking van de Excelbestanden met daarin een koppeling tussen specifieke Sky-ID’s en IMEI-nummers is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een vooringenomenheid. En deze beslissing leidt evenmin tot de conclusie dat het voeren van de verdediging onmogelijk wordt;
IV. het stellen van een termijn aan verzoeker sluit aan bij ter zitting gemaakte inschatting van de verdediging van de termijn waarop zij nadere onderzoekswensen zou kunnen formuleren;
V. verzoeker miskent dat een veroordelend vonnis blijkens de wet een afzonderlijke grond vormt voor de voorlopige hechtenis. De raadsheren hebben terecht het gehele vonnis bij het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis betrokken;
VI. de afwijzende beslissing op het verzoek tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling is gemotiveerd en is niet onbegrijpelijk. Daarbij is opgemerkt dat de raadsheren in het verleden termijnen voor de verdediging heeft verruimd en dus er blijk van hebben gegeven dat zij verzoeker wel de tijd en ruimte geven om de verdediging te voeren.
2.4.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie (zie onder 1.5) meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. Samengevat vinden de raadsheren:
  • ten aanzien van de gronden I, II en III: dat de onderzoekswensen zijn getoetst aan het noodzaakcriterium en de raadsheren, gelet hetgeen ten grondslag is gelegd aan de motivering van die verzoeken, de afwijzing daarvan voldoende hebben gemotiveerd en binnen de grenzen zijn gebleven die de zittingsrechter heeft bij het beoordelen van verzoeken;
  • ten aanzien van grond IV: dat het stellen van een termijn niet kan leiden tot de conclusie van een schijn van partijdigheid, waarbij wordt opgemerkt dat een tijdvak van deze orde ter zitting van 11 februari 2025 met de verdediging is besproken;
  • ten aanzien van grond V: dat de beslissing volgt uit het wettelijke systeem ten aanzien van de voorlopige hechtenis;
  • ten aanzien van grond VI: dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de zaak zo is gemotiveerd dat de raadsheren op 24 februari 2026 geen aanleiding hebben gezien (“
De raadsheren concluderen dat zij met de hiervoor genoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motiveringen, ook in onderling verband en in samenhang bezien, geen blijk van vooringenomenheid hebben gegeven. De raadsheren stellen zich op het standpunt dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
De wrakingskamer neemt, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770), voor de beoordeling van de gegrondheid van het wrakingsverzoek de volgende overwegingen tot uitgangspunt.
3.1.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid, van het IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.1.2.
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het Openbaar Ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het Openbaar Ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.
3.1.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. De wrakingskamer komt daarom geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van de (motivering van de) (tussen)beslissing. Daarover kan alleen in cassatie bij de Hoge Raad worden geklaagd. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Beoordeling in deze zaak
3.2.
Aan de wrakingskamer ligt voor de stelling van verzoeker dat de afwijzende beslissingen en de motivering daarvan zo onbegrijpelijk zijn dat deze, in elk geval tezamen en in onderling verband beschouwd, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is.
3.3.
Uit de toelichting van verzoeker volgt dat hij de beslissingen tot afwijzing van zijn verzoeken (en de motivering daarvan) onjuist vindt en dat hij meent daardoor in zijn verdediging te zijn geschaad. Zoals ook verzoeker onderkent, kan dit op zichzelf geen grond voor wraking opleveren.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissingen op de verzoeken en de motivering daarvan, tezamen, en in het licht van alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven gemeten, niet zo onbegrijpelijk zijn dat deze zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, dan wel dat bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Van bijzondere omstandigheden die tot een andersluidend oordeel aanleiding kunnen geven is niet gebleken. Dat dit door verzoeker kennelijk anders wordt ervaren, doet daar niet aan af.
3.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Piena, J.F. Aalders en L. Alwin, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Mr. Alwin en de griffier zijn buiten staat.