ECLI:NL:GHAMS:2026:772
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over beëindiging huurovereenkomst en terugbetaling waarborgsom
In deze zaak staat centraal of de huurovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde nog bestond na april 2021. Geïntimeerde stelde dat hij de huurovereenkomst rechtsgeldig had opgezegd per 1 april 2021 via een e-mail aan een door appellant ingeschakelde verhuurmakelaar, waarna hij de kamer heeft opgeleverd en de sleutels heeft overhandigd. Appellant voerde aan dat geïntimeerde onvoldoende had aangetoond dat hij daadwerkelijk was vertrokken en dat de huurovereenkomst nog bestond.
De kantonrechter oordeelde dat de opzegging rechtsgeldig was en veroordeelde appellant tot terugbetaling van de waarborgsom. Appellant ging in hoger beroep en betoogde dat de bewijslast bij geïntimeerde lag om aan te tonen dat hij niet meer in de kamer woonde en dat appellant de mogelijkheid had moeten krijgen dit bewijs te ontkrachten.
Het hof stelde vast dat geïntimeerde zijn stellingen voldoende had onderbouwd en dat appellant deze feiten niet concreet had betwist. De enkele inschrijving van geïntimeerde in de Basisregistratie Personen op het adres van de kamer was onvoldoende om te concluderen dat hij nog woonde. Ook het feit dat het verstekvonnis aan het gehuurde adres was betekend, werd door geïntimeerde weerlegd met bewijs van betekening op zijn huidige woonadres.
Het hof concludeerde dat appellant tekort was geschoten in zijn stelplicht en dat het hoger beroep faalde. Het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en veroordeelt appellant tot terugbetaling van de waarborgsom en betaling van proceskosten.