ECLI:NL:GHAMS:2026:740

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
23-002244-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep rijden onder invloed van amfetamine-achtige stoffen en cocaïne

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en het tenlastegelegde bewezen verklaard dat de verdachte op 15 januari 2023 te Ursem een personenauto bestuurde onder invloed van amfetamine-achtige stoffen (MDMA en MDA) en cocaïne, met bloedwaarden boven de wettelijke grenswaarden.

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal vorderde een hogere taakstraf en hechtenis. De raadsvrouw vroeg om een geheel voorwaardelijke straf vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof nam kennis van de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, waaronder vrijwillige hulpverlening en verblijf in een safehouse. Gezien de ernst van het feit en de recidive, maar ook de positieve wending, legde het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden, waarvan zes maanden daadwerkelijk.

Het hof benadrukte het gevaar voor de verkeersveiligheid door gecombineerd drugsgebruik en wees op de toepassing van artikel 63 Sr Pro vanwege eerdere veroordelingen. Het vonnis is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 18 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uur en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002244-24
datum uitspraak: 18 maart 2026
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 96-044180-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
4 maart 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 15 januari 2023 te Ursem, gemeente Koggenland een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten een of meerdere stof(fen) behorende tot de groep van amfetamine-achtige (te weten MDMA en/of MDA) en/of cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in haar bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen in totaal 271 microgram van een of meerdere stof(fen) behorende tot de groep amfetamine achtige en/of 280 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 15 januari 2023 te Ursem, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten stoffen behorende tot de groep van amfetamine-achtige (te weten MDMA en MDA) en cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in haar bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen in totaal 271 microgram van stoffen behorende tot de groep amfetamine achtige en 280 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, primair verzocht de door de politierechter opgelegde straffen geheel voorwaardelijk op te leggen, en subsidiair in elk geval de opgelegde taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto op de openbare weg onder invloed van amfetamine-achtige stoffen en cocaïne. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Zeker bij een gecombineerd middelengebruik, zoals hier aan de orde, is sprake van een aanzienlijk groter risico voor de verkeersveiligheid.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 16 februari 2026, blijkt dat zij na het onderhavige feit nog twee keer is veroordeeld ter zake van rijden onder invloed van alcohol, zodat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Het hof heeft wat betreft de persoon van de verdachte verder kennisgenomen van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Daaruit is onder meer gebleken dat voorzichtig sprake lijkt te zijn van een positieve wending. Zo heeft de verdachte recent vrijwillig hulp gezocht voor haar verslavingsproblematiek, afstand genomen van haar oude leefomgeving en verblijft zij op dit moment in een safehouse waar zij de benodigde begeleiding en behandeling krijgt.
Het hof is, gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in beginsel de door de politierechter opgelegde straffen rechtvaardigt. In de voornoemde, hoewel nog prille, positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte en rekening houdend met het bepaalde in artikel 63 Sr Pro ziet het hof evenwel aanleiding om de taakstraf geheel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Enerzijds beoogt het hof daarmee dat de verdachte zich volledig kan concentreren op haar behandeling en anderzijds dat de verdachte ervan wordt weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen. Voor een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen acht het hof het bewezenverklaarde feit te ernstig van aard.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf en een deels voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. E.J. Hofstee en mr. N. van der Wijngaart, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 maart 2026.
=========================================================================
[…]
[…]