ECLI:NL:GHAMS:2026:73

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
200.359.385/01 en 200.359.489/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van conservatoire beslagen in kort geding over schadevergoeding als gevolg van de Russische inval in Oekraïne

In deze zaak vorderen de appellanten, bestaande uit verschillende rechtspersonen uit de Russische Federatie, de opheffing van conservatoire beslagen die door de Oekraïense geïntimeerde zijn gelegd. Deze beslagen zijn bedoeld als zekerheid voor een in Oekraïne aanhangige vordering tot schadevergoeding, die voortvloeit uit de Russische inval in Oekraïne. De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam had eerder de vorderingen van de appellanten afgewezen, waarop zij in hoger beroep zijn gegaan. Het hof oordeelt dat de geïntimeerde misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de beslagen te leggen zonder een volledig beeld van de relevante feiten te schetsen, in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof komt tot de conclusie dat de beslagen de appellanten onevenredig hard treffen en dat de belangen van de geïntimeerde niet opwegen tegen de schade die de appellanten lijden door de beslagen. Het hof heft de beslagen op en veroordeelt de geïntimeerde tot terugbetaling van hetgeen de appellanten ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de geïntimeerde hebben voldaan, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers : 200.359.385/01 en 200.359.489/01
zaaknummers rechtbank Amsterdam : C/13/772591/KG ZA 25-572 en
C/13/772777/KG ZA 25-579
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
inzake
in zaak 200.359.385/01:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] , Russische Federatie,
appellante,
advocaat mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam,
in zaak 200.359.489/01:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
1.
[appelant 1], voorheen genaamd [appelant 3] Project LLC,
gevestigd te [plaats 3] , Russische Federatie,
2.
[appelant 2] B.V.,
3.
[appelant 3] B.V.,
beiden gevestigd te [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat mr. M.G.T. Boer te Rotterdam,
in beide zaken:
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[geïntimeerde 4],
gevestigd te [plaats 4] , Oekraïne,
geïntimeerde,
advocaat mr. M.C. van Leyenhorst te Leiden.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] , [appelant 1] , [appelant 2] , [appelant 3] en [geïntimeerde 4] . Appellanten in beide zaken tezamen worden aangeduid als [appellant] en appellanten in zaak 200.359.489/01 tezamen als [appellanten]

1.De zaak in het kort

[appellant] vorderen opheffing van door [geïntimeerde 4] gelegde conservatoire beslagen die strekken tot zekerheid van een in Oekraïne aanhangig gemaakte vordering in de hoofdzaak over schade als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] zijn het daar niet mee eens. Het hof komt tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter en heft de beslagen op omdat [geïntimeerde 4] misbruik heeft gemaakt van bevoegdheid en bij het vragen van het beslagverlof in strijd met art. 21 Rv geen volledig beeld heeft geschetst van de voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden.

2.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaardingen met daarin de grieven, met (in het hoger beroep van [appellant] ) producties, van 11 september 2025 en zijn [appellant] respectievelijk [appellanten] in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 augustus 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermelde zaaknummers gewezen tussen [appellant] als eisers en [geïntimeerde 4] als gedaagde.
[geïntimeerde 4] heeft een gecombineerde memorie van antwoord met producties ingediend in beide zaken.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025 aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten door hun advocaten en mrs. J.J.H. Jung en G.J. Wilts ( [appellant] ), mrs. B. Boer en G. Hoek ( [appellanten] ) en mrs. A. Oorthuys en W.J.L. de Clerck ( [geïntimeerde 4] ). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen nadere producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun vorderingen zal toewijzen en [geïntimeerde 4] zal veroordelen om al hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde 4] hebben voldaan aan [appellant] terug te betalen met rente, een en ander met beslissing over de proceskosten. [appellanten] hebben hun eis uitgebreid in hoger beroep (zie hierna onder 4.2).
[geïntimeerde 4] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

3.Feiten

Het hof neemt, mede gelet op de grieven op dit punt, de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt in dit kort geding.
3.1.1.
[appellant] is een Russische rechtspersoon. Haar aandelen worden gehouden door de Russische rechtspersoon [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). De Russische rechtspersoon [bedrijf 1] houdt alle aandelen in [bedrijf 1] . De Russische Federatie houdt 50,23% van de aandelen in [bedrijf 1] .
3.1.2.
[appellant] houdt 50% van de aandelen in [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en alle aandelen in [appellant] Voorafgaand aan de ontbinding van deze vennootschap per 20 juni 2025 hield [appellant] voorts alle aandelen in [bedrijf 3]
3.1.3.
[bedrijf 2] heeft belangen in gasvelden op de Noordzee en is eigenaar van gasproductiefaciliteiten in Nederland. Op 20 maart 2025 heeft [appellant] een Memorandum of Understanding gesloten met [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) voor de verkoop van haar aandelenbelang in [bedrijf 2] .
3.2.
[appelant 1] houdt de aandelen in [appelant 2] en [appelant 3] .
3.3.
[geïntimeerde 4] is een Oekraïense rechtspersoon die zich bezig houdt met de winning, verwerking en verkoop van graniet(producten). Zij is onderworpen aan een Oekraïense insolventieprocedure.
3.4.
Op 19 september 2023 heeft de
Commercial Court of Zaporizhzhia Regionin Oekraïne (hierna: de rechtbank Zaporizja ) de Russische Federatie en VEB Russian Federation State Development Corporation (hierna: VEB) bij verstek veroordeeld tot betaling van ongeveer
€ 23 miljoen aan [geïntimeerde 4] als vergoeding van schade als gevolg van – kort gezegd – de Russische invasie in Oekraïne. In dit vonnis (hierna: het Eerste Vonnis) is geoordeeld dat de Russische Federatie en VEB ‘alter ego’s’ van elkaar zijn.
Opmerking hof: met ‘alter ego’-aansprakelijkheid wordt gedoeld op een rechtsfiguur van vereenzelviging naar Oekraïens recht.
3.5.
Bij vonnis van 27 augustus 2024 (hierna: het Tweede Vonnis) heeft de rechtbank [appellant] , [bedrijf 1] en [appellant] als ‘alter ego’s’ van de Russische Federatie bij verstek veroordeeld tot betaling van de bij het Eerste Vonnis toegewezen schadevergoeding.
3.6.
Bij e-mailbericht van 26 oktober 2024 aan [appellant] heeft [geïntimeerde 4] aangekondigd dat zij de executie van het Tweede Vonnis in Nederland zou gaan aanvangen.
3.7.
Op 22 juni 2025 heeft [geïntimeerde 4] bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam verlof gevraagd tot het leggen van conservatoire beslagen ten laste van [appellant] en [appellanten] In het beslagrekest (hierna: het Verzoek), waarin [appellant] worden aangeduid als ‘Verweersters’ staat onder meer:
8. (…) in februari 2022 heeft de Russische Federatie, met vrijwillige, rechtstreekse en actieve financiering, en logistieke en materiële steun van verschillende particuliere bedrijven, een invasie in de Oekraïne gelanceerd, delen van het Oekraïense grondgebied bezet (“de “Russische invasie”), en op grote schaal industriële en commerciële activa en bedrijven in publiek en privaat bezit in die bezette gebieden verduisterd en herverdeeld. (…)
9. Onder de particuliere bedrijven die aan de Russische Invasie hebben meegedaan, zijn moedervennootschappen van Verweersters, die bij de invasie - kort gezegd - de volgende rollen hebben gespeeld:
a.[bedrijf 1] en LLC [appellant](…) hebben zich ervoor geleend om [naam 1] te belonen door middel van verkoop van aardgas aan [naam 1] tegen kunstmatig lage prijzen voor het beschikbaar stellen van haar grondgebied, faciliteiten en logistiek voor de lancering van de Russische Invasie en voor het onderhouden van de Russische Invasie.
b.[appellant]heeft de Russische Federatie geholpen bij het voorbereiden van de Russische Invasie van 2022 door aan EU­lidstaten extra weinig aardgas te leveren tegen extra hoge prijzen. Hiermee werd de energiecrisis aangewakkerd en getracht de bereidheid van de EU om bij een invasie van Oekraïne te interveniëren te verminderen.
c.[bedrijf 1] en [appellant]hebben zich ervoor geleend om EU-lidstaten te belonen die een pro-Kremlin houding hebben aangenomen in het conflict.
d.PJSC [bedrijf 5](…) heeft - onder het mom van particulier beveiligingspersoneel - gewapende groepen gerekruteerd, uitgerust, betaald en uitgezonden om in Oekraïne gevechtshandelingen te verrichten.
[opmerking hof: deze vier Gazprom-entiteiten worden hierna in dit arrest aangeduid als ‘de Moedermaatschappijen’].
10. Deze [bedrijf 9] hebben in de wetenschap dat hun handelingen, in een samenspel met andere private partijen die de Russische Invasie hebben ondersteund, schade zouden veroorzaken zoals door [geïntimeerde 4] geleden hun bedrijfsmiddelen, -vermogen en hun personeel geleend en in dienst gesteld van de Russische Invasie.
(…)
12. De regio waarin de granietmijn van [geïntimeerde 4] is gelegen, is door het Russische leger ingenomen in de eerste maanden van de invasie. (…)
13. In september 2022 heeft een staatsbedrijf van de (niet erkende) Volksrepubliek Donetsk, Nedra DPR, de controle over [geïntimeerde 4] granietmijn en productiefaciliteiten overgenomen en vanaf november 2022 heeft Nedra DPR de productie in de granietmijn hervat voor eigen gewin (…).
14. Zo is [geïntimeerde 4] haar hele mijnbouwonderneming ontnomen met aanzienlijke schade tot gevolg.
(…)
17. [geïntimeerde 4] heeft [bedrijf 1] , [appellant] , [bedrijf 5] en Verweersters op 12 juni 2025 op grond van bovenstaande feiten naar Oekraïens recht hoofdelijk aansprakelijk gesteld (…) en gevorderd dat haar wederpartijen (…) bevestigen dat zij de schade van [geïntimeerde 4] wegens het verlies van haar mijnbouwonderneming, door een schade-expert begroot op UAH 28.927.701 (thans ongeveer EUR 600 miljoen) zullen vergoeden, te vermeerderen met de naar Oekraïens recht verschuldigde wettelijke rente. (…)
III. Vordering tegen Verweersters naar Oekraïens recht
(…)
28. De hoofdelijke aansprakelijkheid van Verweersters is gestoeld op twee bouwstenen: groepsaansprakelijkheid van [bedrijf 1] , [appellant] , [bedrijf 5] (…a) en alter ego-aansprakelijkheid van Verweersters (…b).
a.
Groepsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad
(…)
30. (…) [bedrijf 1] , [appellant] , [bedrijf 5] (zijn), samen met de overige hoofdelijk aansprakelijke partijen die door hun onderling samenhangende, gecombineerde handelingen, of handelingen met een gemeenschappelijke intentie [geïntimeerde 4] schade hebben veroorzaakt, hoofdelijk aansprakelijk jegens [geïntimeerde 4] tot vergoeding van haar schade, ongeacht hun relatieve aandeel in het veroorzaken van die schade.
(…)
Alter ego-aansprakelijkheid
(…)
35. (…) Verweersters (zijn) hoofdelijk aansprakelijk met [bedrijf 1] , [appellant] , [bedrijf 5] voor de aan [geïntimeerde 4] toegebrachte schade.
(…)”
3.8.1
Onder het kopje ‘c) Eerdere beslagen door andere beslagleggers (…)’ vermeldt het Verzoek:
“57. [geïntimeerde 4] is er, onder meer vanwege berichten op online-media, mee bekend dat twee andere Oekraïense claimanten, [naam 2] en [naam 3] , eerder conservatoir beslag hebben gelegd ten laste van [appellant] op door deze gehouden aandelen in [bedrijf 2] Noordzee en [appellant]
58. [appellant] heeft in 2024 vergeefs opheffing van het door [naam 3] gelegde aandelenbeslag gevorderd. Deze vordering is nu aanhangig in hoger beroep.
59. Daarnaast heeft [appellant] recent opheffing gevorderd van de door [naam 2] en (nogmaals) [naam 3] gelegde beslagen, op grond van een afwijzende beschikking van de Rechtbank Den Haag in een door [naam 2] aanhangig gemaakte exeguaturprocedure.17 Dit kort geding diende op 16 juni jl. voor de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag en de zaak staat nu voor vonnis (14 juli).
60. Bij geen van deze procedures is [geïntimeerde 4] partij.”
3.8.2.
In het Verzoek wordt in voetnoot 17 (bij randnummer 59) verwezen naar een beschikking van 5 juni 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:9883). Uit die beschikking blijkt dat deze zich vanwege immuniteit van jurisdictie onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering tot erkenning en tenuitvoerlegging van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van een Oekraïens vonnis van 27 augustus 2024 waarin [appellant] , [appellant] en [bedrijf 1] als ‘alter ego’s’ van de Russische Federatie aansprakelijk zijn bevonden voor een schuld van de Russische Federatie aan [naam 2] uit hoofde van een eerder gewezen vonnis waarin de Russische Federatie bij verstek is veroordeeld tot betaling aan [naam 2] van vergoeding van schade als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne.
3.8.3.
In het in randnummer 59 van het Verzoek genoemde opheffingskortgeding zijn de door Asset Management Company [naam 3] -Invest (hierna: [naam 3] ) en [naam 2] ten laste van [appellant] gelegde conservatoire beslagen bij vonnis van 14 juli 2025 opgeheven vanwege immuniteit van jurisdictie (ECLI:NL:RBDHA:2025:12573). Het door [naam 2] gelegde conservatoir beslag strekte tot zekerheid van verhaal van de vorderingen die hebben geleid tot het onder 3.8.2 bedoelde vonnis van 27 augustus 2024. Het door [naam 3] gelegde conservatoir beslag strekte tot zekerheid van vorderingen die in een Oekraïens vonnis van 15 augustus 2024 zijn toegewezen tegen [appellant] , [appellant] en [bedrijf 1] , als ‘alter ego’s’ van de Russische Federatie, voor een schuld van de Russische Federatie aan [naam 3] uit hoofde van een eerder vonnis waarin de Russische Federatie bij verstek is veroordeeld tot betaling van schade als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne.
3.8.4.
Op 17 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag zich vanwege immuniteit van jurisdictie onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering van [naam 3] tot erkenning en tenuitvoerlegging van het onder 3.8.3 bedoelde Oekraïnse vonnis van 15 augustus 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14067).
3.9.1.
Productie 11 bij het Verzoek is een
Draft Statement of Claim. Dit stuk vermeldt onder meer dat de vorderingen betrekking hebben op de ‘
2022 Russian Campaign’ die (onder 2) is omschreven als “
Since February 2022, the Russian Federation, with voluntary, direct and active funding, logistical and material support by several private actors (some of which are listed below), launched an invasion of Ukraine, occupied parts of Ukraine’s territories, and massively misappropriated and re-distributed publicly and privately-owned industrial and commercial assets and businesses in those occupied territories.”
Voorts vermeldt dit stuk dat ‘
the armed invasion and occupation of the territory of Ukraine by the Russian Federation’ een ‘
integral part’ is van de
2022 Russian Campaign, en worden de door [geïntimeerde 4] als onrechtmatig bestempelde gedragingen van de Russische Federatie aangeduid als ‘
the main force behind the 2022 Russian Campaign’.
3.9.2.
In de
Draft Statement of Claimstaat ook:

This Claim is the third claim which the Plaintiff filed with the Court in relation to damages that the Plaintiff has sustained in relation to its unified property complex”(nr. 440).
Onder het kopje ‘
Liability determined under the Earlier Judgements in relation to the 2022 Russian Campaign’zet [geïntimeerde 4] uiteen wat in het Eerste en Tweede Vonnis (die tezamen worden aangeduid ‘the Earlier Judgements’ (nr. 443) is beslist en verzoekt zij de rechtbank om te bepalen dat ‘
any amount recovered by the Plaintiff (or on its behalf) under the Earliar Judgements beyond the reimbursement of the Plaintiff’s legal costs ordered under the Earlier Judgements, shall apply to reduce liability of the Defendants in this case under the judgement made in this case’ (nr. 445).
3.10.
Op 23 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter het in het Verzoek gevraagde verlof verleend (hierna: het Verlof). De voorzieningenrechter heeft de vordering (inclusief rente en kosten) begroot op € 660 miljoen en bepaald dat de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld binnen 28 dagen na de eerste beslaglegging. Deze termijn is later op verzoek van [geïntimeerde 4] verlengd met veertien dagen.
3.11.
Ter uitvoering van het Verlof heeft [geïntimeerde 4] ten laste van [appellant] en [appelant 1] op 23 juni 2025 conservatoir beslag gelegd, dat doel heeft getroffen met betrekking tot:
de door [appellant] gehouden aandelen in [bedrijf 2] , [appellant] en [bedrijf 3] en
de door [appelant 1] gehouden aandelen in [appelant 2] en [appelant 3] .
Deze beslagen worden hierna tezamen aangeduid als ‘de beslagen’.
3.12.
Bij e-mail van 15 juli 2025 van de advocaat van [appellant] is [geïntimeerde 4] gesommeerd om de beslagen per direct op te heffen. [geïntimeerde 4] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.
3.13.
De hoofdzaak is op 28 juli 2025 aanhangig gemaakt bij de rechtbank [plaats 4] met een
Statement of Claim.Deze bevat de onder 3.9 bedoelde informatie en is op onderdelen uitgebreid ten opzichte van de
Draft Statement of Claim.
3.14.
Op basis van een op 31 juli 2025 verleend verlof heeft [geïntimeerde 4] voor de vorderingen in de hoofdzaak eveneens conservatoir beslag gelegd dat doel heeft getroffen met betrekking tot de door [bedrijf 6] gehouden aandelen in [bedrijf 6] en banktegoeden van [bedrijf 6] en [bedrijf 7]
3.15.
De Oekraïense partij [naam 4] heeft eveneens conservatoir beslag gelegd op de door [appellant] gehouden aandelen in [bedrijf 2] .

4.Beoordeling

4.1.
De vorderingen van [appellant] strekken ertoe dat (A) het Verlof (al dan niet met terugwerkende kracht) zal worden opgeheven, (B) alle door [geïntimeerde 4] ten laste van [appellant] op basis van het Verlof (nu of in de toekomst) gelegde conservatoire beslagen zullen worden opgeheven of als niet rechtsgeldig gelegd zullen worden verklaard en (C) [geïntimeerde 4] op straffe van een dwangsom van € 25 miljoen per overtreding zal worden verboden om een verzoek tot het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag ten laste aan [appellant] in te dienen zonder dat [geïntimeerde 4] daarbij art. 21 Rv ten volle nakomt.
De vorderingen van [appellanten] strekken tot (1) opheffing van alle door [geïntimeerde 4] ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen en (2) het verbieden van [geïntimeerde 4] om in de toekomst op basis van het Verlof enig aanvullend beslag ten laste van [appellanten] te leggen.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. De grieven van [appellant] richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. [appellanten] hebben in hoger beroep hun vorderingen uitgebreid met een subsidiaire vordering strekkend tot een bevel tot het stellen van zekerheid door [geïntimeerde 4] .
4.3.
[appellant] benadrukken dat [geïntimeerde 4] hen in de hoofdzaak enkel als ‘alter ego’ van de Moedermaatschappijen hoofdelijk aansprakelijk houdt voor gedragingen van een groep waartoe ook de Russische Federatie behoort. Zij stellen dat de beslagen alleen maar schade berokkenen en betogen dat hun belang bij opheffing daarvan veel zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde 4] om verhaal zeker te stellen voor haar vorderingen in de hoofdzaak, waarmee zij – in de ogen van [appellant] tevergeefs – tracht de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie te omzeilen. [appellant] stelt voorts dat het beslag op de aandelen in [bedrijf 2] de lopende verkoop daarvan dwarsboomt, met zeer grote schadelijke gevolgen. In de stellingen van [appellant] ligt besloten dat [geïntimeerde 4] met het Verzoek en de beslagen misbruik van bevoegdheid maakt. Dit betoog slaagt. Daarnaast stellen [appellant] terecht dat [geïntimeerde 4] art. 21 Rv heeft geschonden in het Verzoek. Het hof licht deze oordelen als volgt toe.
Misbruik van bevoegdheid
4.4.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (art. 3:13 lid 2 BW). Het belang van [geïntimeerde 4] is gelegen in het zeker stellen van verhaal voor een veroordeling in de hoofdzaak. Het belang van [appellant] is met name gelegen in het opheffen van de belemmering van de verkoop van de [bedrijf 2] -aandelen en het beperken van de door de beslagen veroorzaakte (gevolg)schade. Andere ten laste van [appellant] gelegde beslagen doen niet af aan hun belang bij opheffing van de door [geïntimeerde 4] gelegde beslagen.
4.5.
[appellant] beroept zich in hoger beroep tevergeefs op immuniteit van executie van de door haar gehouden aandelen in [bedrijf 2] omdat die ten tijde van de beslaglegging geen publieke bestemming hadden; niet volstaat dat haar winstuitkeringen uiteindelijk indirect in de Russische staatskas vloeiden en dat de doelstelling van de [bedrijf 8] , waartoe zij behoort, de Russische maatschappij dient.
4.6.
Zonder opheffing zullen de beslagen naar redelijke verwachting nog jarenlang de uitoefening van de eigendomsrechten van [appellant] blokkeren en (hierdoor) potentieel zeer aanzienlijke schade veroorzaken, waarvoor [geïntimeerde 4] onbetwist geen verhaal zal kunnen bieden omdat zij – naar zij zelf erkent in de memorie van antwoord – in staat van faillissement verkeert. De beslagen dwarsbomen namelijk onbetwist de plannen van [appellanten] om hun belangen in Nederland te verkopen.
4.7.
Het beslag dwarsboomt ook de lopende verkoop van de aandelen in [bedrijf 2] . Dat geldt ook in de zich hier voordoende situatie waarin alleen een Memorandum of Understanding is gesloten. Niet in geschil is dat [appellant] ‘als gevolg van de geopolitieke realiteit’ in 2022 heeft besloten deze aandelen van de hand te doen en geen nieuwe investeringen te doen. [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de overdracht van dit aandelenbelang alleen kan plaatsvinden als de beslagen worden opgeheven, omdat [bedrijf 4] alleen bereid is de transactie uit te voeren als de beslagen zijn opgeheven. Voorts is voldoende aannemelijk dat de door [geïntimeerde 4] genoemde alternatieven voor de beslagen (beslag op de verkoopopbrengst van de aandelen in [bedrijf 2] , storting in een escrow rekening of afgifte van een bankgarantie) in de gegeven omstandigheden niet mogelijk zijn. [appellant] stelt onbetwist dat de onderneming zonder deze verkoop ter ziele zal gaan, met verlies van Nederlandse werkgelegenheid en energiezekerheid tot gevolg. Gezien deze schadelijke gevolgen holt het beslag op de aandelen in [bedrijf 2] het verhaal waartoe het dient uit. Dat relativeert niet alleen het belang van [geïntimeerde 4] bij handhaving van het beslag op de aandelen [bedrijf 2] maar betekent ook dat het leggen en handhaven van het beslag op zichzelf bezien misbruik van bevoegdheid oplevert. Conservatoir beslag is immers naar zijn aard bedoeld om over te gaan in een executoriaal beslag en een uitkering in het vooruitzicht te stellen. In de gegeven omstandigheden is voldoende aannemelijk dat het beslag een eventuele opbrengst (sterk) zal verminderen omdat het verkoop van de aandelen [bedrijf 2] blokkeert, met als gevolg dat de onderneming mogelijk ter ziele zal zijn gegaan tegen de tijd dat [geïntimeerde 4] tot executie zal kunnen overgaan.
4.8.
Dit een en ander betekent dat de beslagen [appellant] onevenredig hard treffen, zodanig dat zich in de gegeven omstandigheden een wanverhouding voordoet tussen het nadeel dat [appellant] ondervinden als gevolg van de beslagen en het belang van [geïntimeerde 4] om zich te kunnen verhalen op de beslagenvermogensbestanddelen voor schade die zij in de hoofdzaak vordert. [geïntimeerde 4] heeft dan ook niet naar redelijkheid kunnen komen tot deze uitoefening van haar bevoegdheid tot het vragen van het Verlof en het leggen van de beslagen.
4.9.
Daarnaast kan deze bevoegdheidsuitoefening in de gegeven omstandigheden niet worden aanvaard omdat [geïntimeerde 4] met het Verzoek en het leggen van de beslagen tracht de immuniteit van jurisdictie te omzeilen die in de weg staat aan verhaal in Nederland van door Russisch overheidsoptreden veroorzaakte schade. Ook dit levert misbruik van bevoegdheid op. Het hof licht dat als volgt toe.
4.10.
[geïntimeerde 4] onderkent dat, net als in de zaken van [naam 3] en [naam 2] , immuniteit van jurisdictie een obstakel zou kunnen vormen voor het verkrijgen van een exequatur voor haar vorderingen uit hoofde van het Eerste en Tweede Vonnis. Naar eigen zeggen zal zij het Tweede Vonnis niet in Nederland ten uitvoer leggen zolang de beslissingen van de Haagse voorzieningenrechter in deze twee zaken in stand blijven. Niet in geschil is dat [geïntimeerde 4] in de hoofdzaak, waarin de vorderingen voorliggen ter verzekering waarvan de beslagen zijn gelegd, een andere insteek heeft gekozen dan in haar twee eerdere procedures: zij heeft geen vorderingen tegen de Russische Federatie ingesteld en zij spreekt [appellant] niet aan als ‘alter ego’ van de Russische Federatie. [appellant] zijn alleen in rechte betrokken als ‘alter ego’ van de Moedermaatschappijen. [appellant] en twee van de Moedermaatschappijen zijn in het Tweede Vonnis al veroordeeld tot betaling van (een deel van) de schade die [geïntimeerde 4] opnieuw en op een andere grondslag vordert in de hoofdzaak. Het gros van de aan de Moedermaatschappijen verweten gedragingen is onderdeel van hun reguliere bedrijfsvoering. Het verwijt is dat zij deze gedragingen hebben ingezet ten bate van de Russische Federatie, ter ondersteuning van de inval in Oekraïne. De aan de Moedervennootschappen verweten gedragingen zijn voorts onlosmakelijk verbonden met de gedragingen van de Russische Federatie die door [geïntimeerde 4] wordt aangemerkt als leider van en hoofdverantwoordelijke binnen de groep die haar gestelde schade als gevolg van de Russische inval in Oekraïne zou hebben veroorzaakt. De desbetreffende gedragingen van de Russische Federatie zijn onbetwist ‘acte iuri imperii’ waarvoor immuniteit van jurisdictie geldt.
4.11.
Gezien de in rov. 4.10 genoemde feiten en omstandigheden strekken het Verzoek en de beslagen onmiskenbaar ertoe om immuniteit van jurisdictie te omzeilen. [geïntimeerde 4] weerspreekt ook niet dat zij haar vorderingen in de hoofdzaak bewust zo heeft ingericht dat immuniteit van jurisdictie geen rol zal spelen bij de tenuitvoerlegging van een daarin verkregen veroordeling in Nederland en het met het oog daarop leggen van conservatoir beslag.
Strijd met artikel 21 Rv
4.12.
[geïntimeerde 4] heeft in strijd met art. 21 Rv gehandeld door in het Verzoek niet alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Uitgangspunt is (vgl de toelichting op art. 21 Rv in de [naam 5] , versie januari 2025, p. 7, onder 2) dat art. 21 Rv meebrengt dat in een beslagrekest – en dus niet alleen in de producties – melding wordt gemaakt van alle procedures, in binnen en buitenland, nog lopend of geëindigd, die relevant zijn voor de goede beoordeling van het verzoek. Het gaat daarbij ook om procedures die inzicht geven in de (andere) verhaalsmogelijkheden voor de vorderingen waarvoor verzoeker door middel van conservatoir beslag zekerheid wenst te verkrijgen. Het Eerste en Tweede Vonnis en de relevantie daarvan voor de hoofdzaak zijn alleen en dan nog slechts ten dele kenbaar uit de als bijlage 11 bij het Verzoek gevoegde
Draft Statement of Claim.[geïntimeerde 4] moet echter hebben beseft dat deze vonnissen van belang zijn voor een goede beoordeling van het Verzoek. In het Tweede Vonnis zijn [appellant] en twee van de Moedermaatschappijen namelijk al veroordeeld tot betaling van (een deel van) de schade die [geïntimeerde 4] opnieuw en op een andere grondslag vordert in de hoofdzaak. Weliswaar zijn in het Verzoek de beslissingen van de Haagse voorzieningenrechter vermeld, maar zonder de context van het Eerste en Tweede Vonnis geeft die vermelding aan de voorzieningenrechter niet voldoende inzicht in de zich hier voordoende complexe situatie. Ook overigens wordt dat inzicht onvoldoende gegeven.
4.13.
Voorts had [geïntimeerde 4] , vanwege het in redelijkheid te verwachten debat over immuniteit van jurisdictie dat nu in dit opheffingskortgeding is gevoerd, in het Verzoek bij vermelding van het Eerste en Tweede Vonnis duidelijk moeten maken waarom zij meent dat dit punt vanwege de in de hoofdzaak gekozen andere insteek geen beletsel zou vormen voor het verkrijgen van een exequatur voor een eventuele veroordeling in de hoofdzaak. Zij had daarbij moeten vermelden dat [appellant] in het Tweede Vonnis al was vereenzelvigd met de Russische Federatie. In de gegeven omstandigheden kon [geïntimeerde 4] niet volstaan met haar korte verwijzing in het Verzoek naar de zaken [naam 3] en [naam 2] , zonder te noemen dat het exequatur is geweigerd en de beslagen zijn opgeheven vanwege immuniteit van jurisdictie.
4.14.
Deze schending van art. 21 Rv in het Verzoek vormt een zelfstandige grond voor opheffing van de beslagen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de nauwgezette naleving van de in art. 21 Rv neergelegde verplichting des te meer klemt bij een beslagrekest, aangezien toewijzing van een dergelijk verzoek tot zeer ingrijpende gevolgen voor de wederpartij kan leiden en de voorzieningenrechter na slechts summier onderzoek en in beginsel – en ook in dit geval – zonder de wederpartij te horen op het verzoekschrift beslist.
Slotsom
4.15.
Het voorgaande leidt tot opheffing van de beslagen die doel getroffen hebben. Een belangenafweging brengt daarin geen verandering. [geïntimeerde 4] heeft een groot belang bij handhaving van de beslagen, omdat naar het zich laat aanzien niet eenvoudig andere zekerheid voor verhaal voor haar aanzienlijke vorderingen te verkrijgen valt. Dat geeft haar echter geen vrijbrief om haar bevoegdheden te misbruiken en de voorzieningenrechter in strijd met art. 21 Rv onvolledig voor te lichten. De ernstige gevolgen van de Russische invasie in Oekraïne kunnen in de context van dit kort geding niet apart worden meegewogen vanwege de door [geïntimeerde 4] gekozen strategie.
4.16.
De vorderingen die strekken tot opheffing van de ten laste van [appellant] en [appelant 1] gelegde beslagen zijn toewijsbaar. Niet blijkt van enige rechtens te respecteren belang van [appelant 2] en [appelant 3] bij de opheffingsvordering aangezien de beslagen ten aanzien van hen geen doel hebben getroffen. De andere door [appellant] gestelde opheffingsgronden behoeven geen bespreking.
4.17.
De vorderingen van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis hebben voldaan is toewijsbaar. Vordering (2) van [appellanten] is reeds niet toewijsbaar omdat geen verlof tot repeterend beslag is verleend. De andere vorderingen zijn ook niet toewijsbaar in dit kort geding.
4.18.
Het vonnis waarvan beroep zal om praktische redenen volledig worden vernietigd. De vorderingen van [appellant] en [appelant 1] tot opheffing van de ten laste van hen gelegde beslagen zullen alsnog worden toegewezen. Bij verdere bespreking van de grieven bestaat geen belang. In dit kort geding is geen ruimte voor de door [appellanten] aangeboden bewijslevering. [geïntimeerde 4] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties, zoals hierna vermeld in het dictum.

5.Beslissing

Het hof:
5.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
heft de onder 3.11 bedoelde ten laste van [appellant] en [appelant 1] gelegde beslagen op;
veroordeelt [geïntimeerde 4] om al hetgeen [appellant] en [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde 4] hebben voldaan aan [appellant] en [appellanten] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van betaling daarvan;
veroordeelt [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in beide instanties,
tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:
- € 1.965,47 voor de eerste aanleg (€ 858,47 aan verschotten en € 1.107 aan advocatensalaris),
- € 3.399,47 voor het hoger beroep (€ 971,47 aan verschotten en € 2.428 aan advocatensalaris),
- € 178 voor nasalaris,
te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
tot op heden aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op:
- € 1.965,47 voor de eerste aanleg (€ 858,47 aan verschotten en € 1.107 aan advocatensalaris),
- € 3.399,47 voor het hoger beroep (€ 971,47 aan verschotten en € 2.428 aan advocatensalaris),
- € 178 voor nasalaris,
te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.