Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
13-343794-21.
2.Tenlasteleggingen
hij op of omstreeks 24 augustus 2020 te Amsterdam, nadat (daarvoor) op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 enig misdrijf, te weten moord of doodslag in vereniging, of openlijke geweldpleging was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een voorwerp, waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd en/of andere sporen van dat misdrijf, te weten het lichaam van het slachtoffer en/of de krukken van het slachtoffer en/of de tent en/of tentstokken en/of kleding en/of schoenen (van verdachte [medeverdachte 2] ), heeft vernietigd, weggemaakt, verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken;
hij op of omstreeks 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, terwijl hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander, te weten [slachtoffer 1] verkeerde, heeft nagelaten deze [slachtoffer 1] die hulp te verlenen of te verschaffen die hij, aan [slachtoffer 1] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen, redelijkerwijs had kunnen duchten, had kunnen verlenen of had kunnen verschaffen, immers heeft hij, verdachte,
3.Vonnis waarvan beroep
4.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
de auditu-verklaring, omdat [getuige] zelf niet bij het ten laste gelegde aanwezig is geweest. Voor het schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer door de verdachte bestaat ook geen enkele bevestiging in het forensisch onderzoek. Hij heeft geen bijdrage van voldoende gewicht gehad en kan dus ook niet als medepleger worden aangemerkt. Dat de verdachte een actieve bijdrage heeft gehad aan het inpakken van het lichaam van [slachtoffer 1] in de tent en het verslepen daarvan, blijkt geenszins uit het dossier. Ook voor de in zaak A subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde verhullen van het misdrijf is daarom onvoldoende bewijs. Om de voorgaande redenen kan het meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweld evenmin worden bewezen verklaard, waarbij ook geldt dat niet kan worden bewezen dat het geweld ‘openlijk’ was. Daarnaast kan volgens de raadsvrouw het in zaak B onder 2 ten laste gelegde niet worden bewezen, omdat [medeverdachte 2] tegen de verdachte zei dat [slachtoffer 1] dood was. Met die wetenschap kan niet worden gezegd dat de verdachte heeft nagelaten hulp te bieden aan iemand die in levensgevaar verkeerde.
“ [medeverdachte 2] is ermee begonnen en [de verdachte of] “finished it”. [medeverdachte 2] heeft [naam (slachtoffer)] geslagen met een houten stok/balk.”
waarschijnlijk(cursivering door het hof) dood’ was. Daaruit valt dus niet af te leiden dat het niet zinvol meer was om hulp te verlenen. Uit het tapgesprek op 2 januari 2021 met ene [persoon 4] blijkt bovendien dat de verdachte de noodzaak heeft onderkend om bij [slachtoffer 1] te gaan kijken, maar hij dat niet durfde omdat hij bang was dat hij dan zelf ook slachtoffer van geweld (lees: van [medeverdachte 2] ) zou worden. In het verhoor met de politie op 26 juli 2021 verklaart de verdachte op de vraag waarom hij later niet heeft gecontroleerd of [slachtoffer 1] nog leefde of dood was: “Wat zou ik moeten als ik hem zou aanraken? Als ik zou controleren of hij leefde dan zou mijn DNA zich daar bevinden. Dan zou ik later de schuld krijgen.”
5.Bewezenverklaring
hij op 23 en/of 24 augustus 2020 te Amsterdam, terwijl hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander, te weten [slachtoffer 1] verkeerde, heeft nagelaten deze [slachtoffer 1] die hulp te verlenen of te verschaffen die hij, aan [slachtoffer 1] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen, redelijkerwijs had kunnen duchten, had kunnen verlenen of had kunnen verschaffen, immers heeft hij, verdachte,
6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
7.Strafbaarheid van de verdachte
8.Oplegging van straf
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.BESLISSING
hechtenisvoor de duur van
10 (tien) weken.