Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[appellant 3],
[appellant 4] ,
[appellant 5],
[appellant 6] C.V.,
[appellant 7] ,
[appellant 8],
[appellant 9],
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
right of first refusalzou kunnen uitoefenen. Appellanten vinden dat [geïntimeerde 2] daarbij beroepsfouten heeft gemaakt waardoor de andere aandeelhouder zich heeft beroepen op een
right of first refusalwaarna hij in een arbitrageprocedure in het gelijk is gesteld. Daardoor heeft [appellant 1] haar aandelen in TAB aan hem moeten overdragen. Appellanten zeggen dat zij door de beroepsfouten schade hebben geleden en houden zowel [geïntimeerde 2] als zijn kantoor [geïntimeerde 1] aansprakelijk. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 2] beroepsfouten heeft gemaakt, maar zij heeft de gevorderde schadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband. De rechtbank heeft wel de tussen [appellanten] en [geïntimeerde 1] gesloten overeenkomst van opdracht gedeeltelijk ontbonden en geoordeeld dat [geïntimeerde 1] een bedrag van € 52.314,75 met rente aan [appellant 1] dient terug te betalen. Zowel [appellanten] als [geïntimeerden] zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
private equityfonds [appellant 5] en worden hierna samen aangeduid als [appellant 5] . [appellant 5] wilde via de nieuw opgerichte entiteit [appellant 3] de activiteiten van [appellant 2] overnemen. De transactie werd ‘Transactie Screen’ genoemd. Na de overname zouden de aandelen in [appellant 3] worden gehouden door [appellant 5] , [appellant 7] en [appellant 8] .
right of first refusalwordt genoemd:
affiliated companyniet onderworpen aan het
right of first refusalvan medeaandeelhouder [naam 9] . De aandeelhoudersovereenkomst en het Franse recht bevatten echter geen definitie van
‘affiliate’. Een redelijke uitleg houdt volgens Clifford Chance in dat [appellant 1] een dochteronderneming is van [appellant 2] en [appellant 2] van [groep] , zodat [appellant 2] en [groep] moeten worden begrepen als
affiliatesvan [appellant 1] . Clifford Chance benoemt daarnaast dat op grond van de statuten voor de aandelenoverdracht ook toestemming van het bestuur nodig is, feitelijk dus van [naam 9] als bestuurder. Een weigering van het bestuur voor een aandelenoverdracht die op grond van de aandeelhoudersovereenkomst is toegestaan, zou volgens Clifford Chance echter van kwade trouw getuigen.
Share Purchase Agreement(SPA) ondertekend. Hiermee zijn zij overeengekomen dat [appellant 7] , als enig aandeelhouders van [groep] , hun aandelen verkopen aan [appellant 3] . [groep] zal ten tijde van de levering van de aandelen direct of indirect alle aandelen houden in de over te nemen bedrijven, waaronder het 50%-belang in TAB, maar niet [appellant 2] of [appellant 1] . Met betrekking tot TAB bevat de SPA verder de volgende bepalingen:
Call and Put Option Agreement(CPOA) ondertekend, die inhoudt dat [appellant 3] als koper en [appellant 7] als verkopers verplicht zijn om op een later moment [appellant 2] , met daaronder [appellant 1] en [appellant 4] (hierna ook samen: de draaddivisie), over te dragen.
affiliated companyniet valt onder het
right of first refusalvan [naam 9] . [naam 10] bevestigt dat de aandeelhoudersovereenkomst en het Franse recht geen definitie van
‘affiliate’bevatten. [naam 10] gaat ervan uit dat [appellant 2] enig aandeelhouder is van [appellant 1] en dat [groep] enig aandeelhouder wordt van [appellant 2] . In dat geval zijn de voorgestelde aandelenoverdrachten niet onderworpen aan het
right of first refusal.
closing, 22 december 2017, zijn de in de SPA omschreven aandelen geleverd, met uitzondering van de aandelen in TAB. Ten aanzien van de aandelen in TAB hebben [appellant 7] , [appellant 3] en [groep] op die datum een
Amendment Agreement(hierna ook: AA) ondertekend. In de AA is onder meer overeengekomen dat het TAB-belang geen onderdeel (meer) uitmaakt van de SPA en dat de koopsom inzake de SPA daalt met € 4.300.000,-, dat het TAB-belang onderdeel wordt van de CPOA en dat de koopsom inzake de CPOA toeneemt met dezelfde € 4.300.000,-. Daarnaast is in de AA overeengekomen dat er een aparte call optie en put optie komen inzake het TAB-belang, inhoudende dat [appellant 3] als koper en [appellant 7] als verkopers verplicht zijn om op een later moment het TAB-belang over te dragen, indien [naam 9] zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke toestemming en medewerking aan de verkoop heeft verleend. Verder bevat de AA een bepaling die inhoudt dat artikel 3.3 en 3.4 van de SPA ongewijzigd van kracht blijven.
closingbestuurder van [appellant 3] .
“Mr [naam 9] seems willing to approve in the meeting convened by the attached. But we are not sure.”[naam 10] heeft in een e-mail van 12 januari 2018 laten weten dat een rechtstreekse overdracht van de aandelen aan [appellant 3] en een overdracht via [appellant 2] aan [appellant 3] de aanbiedingsplicht zullen activeren. Op een overdracht van [appellant 1] aan [appellant 2] en daarna aan [groep] zal de aanbiedingsplicht niet van toepassing zijn. Daarnaast heeft [naam 10] gezegd dat het verzoek om toestemming van het bestuur ook de verkoopprijs van de aandelen moet bevatten.
een voorgenomen overdracht aan [appellant 2] triggert geen aanbiedingsplicht (right of 1st refusal)
een voorgenomen overdracht aan Screen triggert wél een aanbiedingsplicht
beide overdrachten vereisen goedkeuring van [naam 9] als bestuurder. En de notice van beide voorgenomen overdrachten (het document dat nu voorligt) moet per se de prijs vermelden
oplossing: [ [naam 10] ] is creatief noch gedurfd. Moeten daarom zelf iets verzinnen. Ik denk als volgt en simpel: als we iets willen, moeten we naar 1 overdracht (van [appellant 2] naar Screen) en wat betreft de prijsvermelding niet het beste jongetje van de klas zijn. Ik (laat mij die “vergissing” maar maken) zou kunnen opnemen een “indicative price of approximately 1M (to be finally determined with purchaser at around closing)”
verder zouden we kunnen opnemen dat de goedkeuring als bestuurder een waiver van het right of 1st refusal impliceert. Maar ik ben daar eigenlijk niet voor. Als hij als bestuurder goedkeurt, komt het wel goed. En als hij op je aangepaste notice reageert met een beroep op aanbiedingsplicht, dan is het antwoord uiteraard dat deze vlieger niet opgaat omdat je terecht aannam dat hij door de bocht zou komen en omdat de voorgenomen overdracht uiteraard geldt op voorwaarde dat het TAB belang niet ineens naar [naam 9] moet. Hij gaat dan echt niet naar de rechter en dat zou ook kansloos zijn”
“(…) Dag [naam 11] , ik kijk er zsm naar maar er is geen aanbiedingsplicht getriggerd. Dat is echt onzin en doorzichtig. Met dit dossier, beaamt ook [naam 12] , heb je uiteraard aangeboden onder voorbehoud dat hij akkoord is en niet in eens een right of refusal claimt. Zou een mooie boel worden. (….)”.In zijn e-mail van 31 januari 2018 bevestigt [geïntimeerde 2] dat er geen sprake is van een aanbiedingsplicht.
alsnog gerechtelijk afdwingen. [appellant 5] [naam 11] zijn belang niet kopen. Kun jij aan [appellant 5] nogmaals bevestigen dat hij geen poot heeft om op te staan?”
right of first refusalook de mogelijkheid heeft. [naam 9] heeft aangekondigd dat hij de noodzakelijke stappen zal ondernemen om dit recht uit te oefenen.
Het dossier staat inmiddels wel: juridisch geen specifieke reactie
Maar niets doen lijkt me geen optie
[ [naam 9] ] lijkt namelijk op ramkoers te liggen
Je hebt een erg sterke case maar een rechtszaak is tijdrovend, duur en nooit 100% zeker gewonnen
Alles in aanmerking genomen heeft het daarom onze voorkeur om eerst te kijken of misschien een beetje water bij de wijn kan worden gedaan. Dat staat ook goed voor het geval de zaak wel onder de rechter komt”
ik zou de voorgenomen overdracht idd aan DV willen melden
DV protesteerde al eens en gaat zeker weer protesteren. Maar dat hoeft jullie
wij zien – zoals jullie en Clifford destijds – nog steeds geen aanbiedingsplicht
wij zien geen grond waarop DV jullie zou kunnen dwingen zijn deel af te nemen tegen EUR 4,3 mio. Maar voor de zekerheid hebben we [naam 10] Parijs gevraagd mee te denken (….)”
“Als ik mij goed herinner zijn jullie al eerder dit jaar tot de conclusie gekomen dat [ [naam 9] ] dit right of first refusal helemaal niet heeft”. [geïntimeerde 2] heeft op dezelfde dag geantwoord:
“Wat ons en [ [naam 10] ] (en [Clifford Chance] vorig jaar) betreft heeft de man inderdaad geen poot om op te staan.”
right of first refusalheeft uitgeoefend en bepaald dat de verkoopprijs van de aandelen van [appellant 1] door een deskundige moet worden vastgesteld. [naam 10] heeft de uitkomst op 2 mei 2019 aan [naam 1] meegedeeld. [naam 1] heeft [geïntimeerde 2] vervolgens gemaild:
“Hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”. Tegen het arbitraal vonnis stond geen hoger beroep open.
4.Eerste aanleg en grieven in hoger beroep
5.Beoordeling
right of first refusalkon beroepen, is onvoldoende gebleken dat dit eigen oordelen van [geïntimeerde 2] waren over het Franse recht, die niet met [naam 10] waren afgestemd en door haar niet werden gedeeld (zoals [geïntimeerde 2] schrijft in zijn onder 3.28 aangehaalde e-mailbericht). Evenmin is gebleken dat [geïntimeerde 2] heeft geadviseerd over Frans recht door zich uit te laten over de kansen van [appellanten] in de Franse arbitrageprocedure. Voor zover [geïntimeerde 2] zich heeft uitgelaten over de slagingskansen in die procedure, maakt dit niet direct dat hij daarmee ook adviseert over Frans recht. Voor zover hij de adviezen en de inschatting van [naam 10] , die later de arbitrageprocedure zou gaan voeren, te rooskleurig of onjuist heeft weergegeven is dat wel een beroepsfout (zie hierna onder 3.16), maar niet een die bestaat in het adviseren naar Frans recht.
“Ik [naam 11] in geen enkel geval een aanbiedingsplicht triggeren richting [naam 9] ”.[geïntimeerde 2] heeft dit vervolgens ook in zijn e-mail van 10 januari 2018 aan [naam 10] waarin hij nader advies vraagt gemeld:
“Of course, he still doesn’t want to trigger the obligation to offer to Mr. [naam 9] ”. [naam 10] heeft hierop vervolgens op 12 januari 2018 geantwoord dat ervan uitgaande dat [appellant 3] geen onderdeel uitmaakt van de [appellant 1] groep, de overdracht onderworpen zal zijn aan “the right of first refusal” van [naam 9] . [naam 10] geeft aan dat:
To summarize, any transfer by [appellant 1] Holding of its TAB share to [appellant 3] BV will trigger both the prior approval of the board of directors of TAB and the right of first refusal granted to mr. [naam 9] and the amount of the purchase price shall be disclosed”.[geïntimeerde 2] heeft naar aanleiding van dit advies van [naam 10] in zijn e-mail van 13 januari 2018 nog aan [naam 1] gemeld dat een voorgenomen overdracht aan [appellant 3] de aanbiedingsplicht “triggert” en dat zowel de overdracht aan [appellant 2] als aan [appellant 3] de goedkeuring van [naam 9] vereist. Tegen deze achtergrond is het hof met de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [geïntimeerde 2] had gelegen om schriftelijk vast te leggen dat er in samenspraak met [naam 1] , of zelfs op diens verzoek, was besloten om toch rechtstreeks aan [appellant 3] over te dragen en dat [naam 1] zich bewust was van het feit dat de brief van 15 januari 2018 (mogelijk) de aanbiedingsplicht zou activeren. Dat hij dit niet heeft gedaan acht het hof in strijd met wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
the following transaction is contemplated” volgt onvoldoende dat de voorgenomen overdracht alleen zou gelden onder de voorwaarde dat [naam 9] hiermee zou instemmen. [geïntimeerde 2] heeft bovendien in zijn e-mail van 13 januari 2018 aangegeven dat in de brief zou kunnen worden opgenomen dat de goedkeuring als bestuurder een “waiver” van het “right of first refusal” impliceert, maar dat hij daar zelf eigenlijk niet voor is. Volgens [geïntimeerde 2] zou het wel goedkomen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde 2] ook hierin niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Het had op zijn weg gelegen om in de brief van 15 januari 2018 expliciet op te nemen dat de voorgenomen overdracht slechts zou gelden op voorwaarde dat [naam 9] met de overdracht zou instemmen. Daarnaast was het – tegen de achtergrond van de door [naam 9] eerder ingenomen standpunten en het feit dat het op dat moment nog geenszins zeker was dat [naam 9] zou instemmen (“
“Mr [naam 9] seems willing to approve in the meeting convened by the attached. But we are not sure”)– onzorgvuldig om te adviseren om niet op te nemen dat de goedkeuring als bestuurder een “waiver” van het “right of first refusal” impliceert. Het had op de weg van [geïntimeerde 2] gelegen om de in de brief van 15 januari 2018 voorgestelde voorgenomen directe overdracht aan [appellant 3] met meer waarborgen te omkleden. Zonder deze maatregelen kon [geïntimeerde 2] de door hem geadviseerde aanpak niet vergezeld doen gaan van de verzekering dat [naam 9] echt niet naar de rechter zou gaan en dat dat ook kansloos zou zijn.
er is geen aanbiedingsplicht getriggerd. Dat is echt onzin en doorzichtig”)en 5 februari 2018 (“
Mr [naam 9] of course does not have any right of first refusal whatsoever”).[geïntimeerde 2] heeft in deze e-mails volgehouden dat de aanbiedingsplicht niet zou zijn geactiveerd, omdat het voornemen om de aandelen aan [appellant 3] over te dragen zou zijn gedaan onder het voorbehoud dat [naam 9] akkoord is en geen beroep zal doen op het
right of first refusal. Volgens [geïntimeerde 2] was er met de brief van 15 januari 2018 nog geen sprake van een concreet voornemen om het aandelenbelang van [appellant 1] in TAB over te dragen. Daarnaast zou [naam 9] volgens [geïntimeerde 2] de indruk hebben gewekt dat hij zijn medewerking zou verlenen en zou hij geen beroep kunnen doen op het
right of first refusalomdat dit tegen deze achtergrond in strijd zou zijn met de goede trouw. Ook hier geldt dat [geïntimeerde 2] weliswaar stelt dat het voornemen om de aandelen aan [appellant 3] over te dragen is gedaan onder voorbehoud van goedkeuring van [naam 9] , maar dat dit niet blijkt uit de brief van 15 januari 2018, zodat hij niet in zijn stellige bewoordingen kon volhouden dat er geen aanbiedingsplicht was geactiveerd.
dat [ [naam 9] ] een bijzonder zwakke case heeft. Om niet te zeggen: de man is wat ons betreft volstrekt kansloos” (zie onder 3.34). Op 30 juli 2018 heeft [geïntimeerde 2] weliswaar aangegeven dat:
“een rechtszaak is tijdrovend, duur en nooit 100% zeker gewonnen”(hierboven onder 3.37), maar in dezelfde e-mail schrijft hij ook dat [naam 1] een “
erg sterke case” heeft. Op 2 oktober 2018 heeft [geïntimeerde 2] nogmaals herhaald geen aanbiedingsplicht te zien:
wij zien (…) nog steeds geen aanbiedingsplicht(hierboven onder 3.38
)en op 11 december 2018 schrijft [geïntimeerde 2] : “
Wat ons en [ [naam 10] ] en [Clifford Chance] vorig jaar) betreft heeft de man inderdaad geen poot om op te staan”(aangehaald onder 3.41). Mede gelet op het feit dat [naam 9] vanaf januari 2018 heeft volgehouden dat de aanbiedingsplicht wel geactiveerd was, er geen schriftelijke instemming van [naam 9] was verkregen en het feit dat uit de brief van [geïntimeerde 2] niet expliciet volgt dat de aanbieding voorwaardelijk was gedaan, had [geïntimeerde 2] zich in minder stellige bewoordingen dienen uit te laten en [appellanten] voldoende behoren te waarschuwen voor de risico’s van een eventuele arbitrageprocedure.
Dus wij vinden expliciet dat er geen aanbiedingsplicht is, maar als [naam 9] hier anders over denkt dan zijn wij bereid voor 4.3 mio Euro onze 50%-TAB aandelen aan hem te verkopen (….). In geen enkel geval mag de situatie ontstaan dat [naam 9] ons kan dwingen zijn 50% in TAB voor 4.3 mio Euro over te nemen (hij is nl. bereid om zijn helft van TAB voor veel minder aan ons te verkopen, maar zijn aandeel in TAB [naam 11] Screen nu uberhaupt niet kopen”. [geïntimeerde 2] heeft hierop op 2 oktober 2018, zonder enige nuancering of inschatting van kansen aan te brengen, gemeld dat deze aanpak “onze” zegen heeft, dat [naam 9] al eens protesteerde en zeker weer gaat protesteren, maar dat dit [naam 1] niet hoeft tegen te houden en dat [geïntimeerde 1] nog steeds geen aanbiedingsplicht ziet. Dat [naam 9] op dat moment nog altijd van mening was dat de aanbiedingsplicht wel was geactiveerd volgt uit zijn e-mail van 27 juli 2018 aan [naam 1] (productie 45 dagvaarding 1e aanleg). [naam 9] herhaalt hierin dat zijn eerste keuze is om het aandelenbelang in TAB te kopen en dat hij hiertoe ook een “preemption right” heeft. Hij wijst er vervolgens op dat hij alle noodzakelijke stappen gaat ondernemen om het recht uit te oefenen waarop hij in de brief van 24 januari 2018 al een beroep had gedaan. Weliswaar is niet gebleken dat [naam 1] deze e-mail ook aan [geïntimeerde 2] heeft doorgestuurd, maar uit de e-mail van [geïntimeerde 2] van 2 oktober 2018 volgt dat hij er terdege van op de hoogte was dat [naam 9] al eens had geprotesteerd en zeer zeker weer zou gaan protesteren en mogelijk een beroep op zijn aanbiedingsplicht zou doen. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [geïntimeerde 2] gelegen om in ieder geval [appellant 3] , waarvoor [geïntimeerde 2] op dat moment ook al optrad, te wijzen op de risico’s die een overdracht van [appellant 2] aan [appellant 3] , waarbij indirect ook de aandelen van [appellant 1] in TAB door [appellant 3] werden gekocht, mee zouden brengen op het moment dat [naam 9] daadwerkelijk een arbitrageprocedure zou starten. [geïntimeerde 2] had [appellant 3] moeten waarschuwen voor het risico dat de aanbiedingsplicht mogelijk toch was geactiveerd en dat zij in de toekomst verplicht kon worden om haar indirecte belang in TAB aan [naam 9] te verkopen (voor een op dat moment nog onbekend bedrag). Aan de verplichting jegens [appellant 3] om haar juist te informeren over de risico’s doet op zichzelf niet af dat – bij het niet uitoefenen van de optie – de nadelige gevolgen van de gedwongen overdracht aan [naam 9] bij een andere opdrachtgever zouden (kunnen) worden gevoeld. Of [geïntimeerden] op een belangenconflict hadden moeten wijzen is een andere, hierna te bespreken kwestie.
niet wijzen op belangenconflict tussen [appellant 3] en de overige cliënten van [geïntimeerden] en het niet adviseren een andere advocaat in de hand te nemen over onder meer het uitoefenen van de CPOA.
Aansprakelijkheid [geïntimeerden] jegens [appellant 5] , [appellant 6] en [appellant 8]
Aansprakelijkheid [geïntimeerde 2]
“Opdrachten worden uitsluitend aanvaard door [geïntimeerde 1] , ook indien het de uitdrukkelijke of stilzwijgende bedoeling is dat een opdracht door een bepaalde persoon wordt uitgevoerd. In afwijking van de artikelen 7:404, 7:407 lid 2 en 7:409 van het Burgerlijk Wetboek zijn de advocaten en anderen die voor of ten behoeven van [geïntimeerde 1] , al dan niet in dienstbetrekking, werkzaam zijn niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk, ook niet indien de opdracht is verleend met het oog op een bepaalde persoon".Dit betekent dat alleen [geïntimeerde 1] opdrachtnemer is met uitsluiting van de advocaten en anderen die voor of ten behoeve van [geïntimeerde 1] al dan niet in dienstbetrekking werkzaam zijn.
“Hoe is dit in gods naam mogelijk. Kunnen we in beroep?”, kunnen en moeten realiseren dat [appellanten] hem mogelijk zouden aanspreken op zijn rol bij het activeren van de aanbiedingsplicht, temeer omdat [geïntimeerde 2] meermaals in zeer stellige bewoordingen te kennen had gegeven dat de aanbiedingsplicht naar zijn mening niet was geactiveerd. In aanmerking genomen dat nog steeds sprake was van een lopende adviesrelatie, en [geïntimeerde 2] heeft nagelaten om [appellanten] te wijzen op de zeer korte en voor [appellanten] zeer nadelige termijnen in artikel 5 lid 2 en Pro artikel 6 lid 5 sub e van Pro twee maanden, is beroep van [geïntimeerden] op deze zeer korte termijnen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Matiging
€ 189,00(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)