ECLI:NL:GHAMS:2026:61

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23-001877-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van vonnis met aanpassing van straf en beslissing op vordering benadeelde partij in hoger beroep tegen meerdere misdrijven, waaronder afpersing en belaging

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023. De verdachte, geboren in 1992 en thans gedetineerd, was eerder veroordeeld voor meerdere misdrijven, waaronder afpersing, belaging en overtreding van de Wet wapens en munitie. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar paste de opgelegde straf aan. De verdachte had op 14 oktober 2020 in Heerhugowaard een alarmpistool en munitie voorhanden gehad, wat leidde tot de tenlastelegging van feit 3. Het hof oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de bewezenverklaring van dit feit, maar dat de straf in verminderde mate aan hem kon worden toegerekend vanwege een psychische stoornis, vastgesteld in een Pro Justitia rapportage. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, maar het hof legde een gevangenisstraf van 44 dagen op, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd de beslissing over de vordering van de benadeelde partij herzien, waarbij het hof de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toewijsde. Het hof oordeelde dat de benadeelde partij recht had op zowel materiële als immateriële schadevergoeding, en legde de verdachte de verplichting op om een bedrag van € 1.765,45 te betalen aan de benadeelde partij. Het hof hefte ook de vrijheidsbeperkende maatregel op die door de rechtbank was opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001877-23
datum uitspraak: 13 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-258112-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2024, 16 december 2025 en 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging feit 3

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging van dit feit ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 oktober 2020 te Alkmaar
en/of Heerhugowaard, in elk geval in Nederlandeen alarmpistool van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, gas/alarmpistool ("Bruni mod 92, kal 9mm") en/of 4 patronen (9mm Pa Blanc), voorhanden heeft gehad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van:
  • de bewezenverklaring van feit 3 (nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de pleegplaats Heerhugowaard in plaats van Alkmaar betreft);
  • de opgelegde gevangenisstraf en vrijheidsbeperkende maatregel;
  • de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
-in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de overweging van de rechtbank met betrekking tot de kruisbogen onder punt 8 van het vonnis van 15 juni 2023 aanvult en een beslissing neemt ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen (Oppo)telefoon.

Bewezenverklaring feit 3

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 oktober 2020 te Heerhugowaard een alarmpistool van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een, gas/alarmpistool ("Bruni mod 92, kal 9mm") en 4 patronen (9mm Pa Blanc), voorhanden heeft gehad.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 primair en onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair en onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal ziet af van de vordering van een contact- en locatieverbod, nu zij daar – evenals de advocaat van de benadeelde partij –geen aanleiding (meer) voor ziet.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk aan het voorarrest en verzoekt om opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat een voorwaardelijke straf geen doel dient, omdat recent in het kader van de strafzaak met parketnummer 09-000796-25 een PBC-rapport is opgesteld naar aanleiding waarvan het openbaar ministerie naar verwachting de TBS-maatregel zal vorderen. De verdachte bevindt zich in het kader van die strafzaak in voorlopige hechtenis en zal naar verwachting niet in vrijheid worden gesteld.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte zoals dit uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven, waaronder afpersing, belaging en overtreding van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft gedurende een periode van drie weken veelvuldig, aanhoudend en op verschillende manieren (in persoon en telefonisch) contact gezocht met zijn ex-werkgever en daarbij meerdere berichten gestuurd met een zeer intimiderende en dreigende inhoud. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer en zijn gezin als gevolg hiervan erg bang zijn geweest. Door de duur, frequentie en de intensiteit waarmee de verdachte het slachtoffer lastigviel heeft hij een forse inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het op de openbare weg (in een door hem bestuurde auto) voorhanden hebben van een alarmpistool met munitie. Het ongecontroleerd bezit daarvan brengt onder burgers gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het hof rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
Het hof heeft gekeken wat voor straf(fen) in vergelijkbare zaken wordt of worden opgelegd. Het hof heeft daarnaast in het nadeel van de verdachte gelet op het strafblad van de verdachte van 2 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere bedreiging en overtreding van de Wet wapens en munitie. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank in beginsel passend en geboden is. Het hof zal echter tot een andere strafoplegging komen.
Pro Justitia Rapportage
Het hof heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 7 november 2025 (hierna: PBC-rapport), opgesteld door M.B.F. van Berkel, psychiater, en I.F.J. Bronnenberg, GZ-psycholoog. Dit rapport is opgesteld ten behoeve van een Haagse strafzaak (09/000796-25) waarin de verdachte wordt vervolgd voor (gewelds)delicten gepleegd in 2024 en 2025 en waarin hij al langdurig in voorarrest verblijft. Het PBC-rapport houdt – kort gezegd – in dat ten aanzien van de verdachte de diagnose schizofrenie is gesteld, dat de stoornis het tenlastegelegde handelen van de verdachte heeft beïnvloed en dat door de onderzoekers wordt geadviseerd om de feiten in die zaak in ten minste sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Hoewel de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte ziet op een andere pleegperiode dan de feiten die in de voorliggende zaak aan de orde zijn, leidt het hof uit het PBC-rapport af dat in een Pro Justitia onderzoek in 2019 [1] al een psychotische stoornis bij de verdachte is vastgesteld. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat voornoemde stoornis ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2020 aan de orde was en zal de bevindingen uit het rapport in zoverre overnemen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Het hof zal – mede gelet op de omstandigheden die zich nu voordoen – aan de verdachte daarom een lagere straf opleggen dan de rechtbank.
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof het volgende. De verdachte is in deze zaak op 14 oktober 2020 in verzekering gesteld, door de rechtbank is vonnis gewezen op 15 juni 2023. Er is daarmee in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 8 maanden. Op 27 juni 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 13 januari 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer 6 maanden. Het hof zal deze overschrijding in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straf.
Het hof zal – alles afwegende – aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen opleggen.
Opheffing (van dadelijke uitvoerbaarheid) van vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot de vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht), inhoudend zowel een contactverbod met aangever [aangever] als een gebiedsverbod voor [adres]. Daarbij heeft de rechtbank bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Het hof komt gelet op hetgeen door de advocaat-generaal en de gemachtigde van de benadeelde partij hieromtrent naar voren is gebracht niet tot het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel en beslist tot opheffing van het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
Beslag
De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet
teruggegeven kruisbogen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De verdachte heeft het hof tijdens de terechtzitting in hoger beroep verzocht om te beslissen tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen kruisbogen. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de kruisbogen legaal zijn.
Het hof overweegt als volgt.
Aangetroffen kruisbogen in voertuig en woning
Ingevolge artikel 2 Wet wapens en munitie (WWM) is een kruisboog een wapen uit categorie IV. Het
voorhanden hebbenvan een dergelijk wapen is ingevolge artikel 26 lid 5 WWM alleen verboden voor personen onder de 18 jaar. In beginsel is het voorhanden hebben van een kruisboog voor personen boven de 18 jaar dus niet verboden.
Ingevolge artikel 27 lid 1 WWM is het
dragenvan een wapen uit categorie IV (met uitzondering van recreatieve activiteiten) echter verboden voor eenieder. Onder het begrip ‘dragen’ valt het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaats ‘bij zich hebben’ van een categorie IV wapen. Van ‘bij zich hebben’ is niet alleen sprake wanneer men het wapen aan het lichaam draagt. Daaronder valt volgens de Memorie van Toelichting ook al hetgeen men onder zijn onmiddellijk bereik heeft. [2] Uit de wet en de jurisprudentie volgt (vgl. HR 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0810, NJ 1998, 105) dat het bij zich hebben van een (onverpakt) categorie IV wapen in een auto op de openbare weg daar ook onder valt. Dat brengt mee dat het door de verdachte in voorliggende zaak (onverpakt) in de auto hebben van de kruisboog onder deze omstandigheden verboden was. De kruisboog die blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 14 november 2020 door de politie is aangetroffen in de auto waarin de verdachte reed, zal dan ook worden onttrokken aan het verkeer.
Hoewel het enkel in de woning (voorhanden) hebben van de aangetroffen kruisbogen – gelet op de leeftijd van de verdachte – in beginsel niet verboden was, is het hof met de rechtbank van oordeel dat ook deze onder de verdachte inbeslaggenomen kruisbogen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Ingevolge artikel 36d Sr kan deze maatregel ook worden opgelegd bij voorwerpen van de verdachte welke bij gelegenheid van een onderzoek naar een feit waarvan hij verdacht wordt zijn aangetroffen en wanneer die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. De verdachte had een van de kruisbogen bij zich in de auto en werd naast afpersing en belaging ook verdacht van het overtreden van de Wet wapens en munitie. De kruisbogen zijn van zodanige aard dat het
ongecontroleerdebezit daarvan in dit geval in strijd is met het algemeen belang, zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als waarvan de verdachte vóór zijn aanhouding werd verdacht.
Verbeurdverklaring (Oppo)telefoon (goednummer: [nummer])
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het hof verzocht om – voor zover dit nog niet is teruggegeven – de teruggave te gelasten van zijn telefoon. Het hof constateert op basis van het dossier dat onder de verdachte een telefoon van het merk/type OPPO Cphl931 in beslag is genomen. Het is het hof niet bekend of over de teruggave van deze telefoon reeds (door het openbaar ministerie) is beslist. Het voorwerp staat niet op de beslaglijst van de rechtbank en de rechtbank heeft hierover geen beslagbeslissing genomen in haar vonnis.
Voor zover de telefoon nog niet aan de verdachte is teruggegeven zal het hof bepalen dat de telefoon zal worden verbeurdverklaard, aangezien de telefoon kan worden beschouwd als een voorwerp met behulp waarvan de onder feit 1 primair en onder feit 2 bewezenverklaarde afpersing en belaging zijn begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 57, 63, 285b en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.424,93 bestaande uit € 1.360,45 ter compensatie van materiële schade, € 1000,00 ter compensatie van immateriële schade en € 64,48 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.833,93. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot het in eerste aanleg door de rechtbank toegewezen bedrag, te verminderen met € 4,00 gelet op de kennelijke telfout in het vonnis ten aanzien van de gevorderde reiskosten. De raadsvrouw heeft zich daarbij aangesloten en de vordering voor het overige niet betwist.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 765,45 bestaande uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering (€ 365,45) en de kosten voor de set velgen met banden (€ 400,00). Hierbij heeft het hof de materiële schade van de set velgen met banden geschat op € 400,00. Het gevorderde bedrag voor de set velgen met banden zal voor het overige worden afgewezen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
Het hof acht op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door (de gemachtigde van) de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, is het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat delicten als de onderhavige – afpersing en belaging – een ernstige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben. Dat geldt in het bijzonder voor deze zaak, waarin het slachtoffer zeer indringend is afgeperst (door onder andere het tonen van een foto van een onthoofd persoon) en daarna aanhoudend is geïntimideerd, onder andere met dreigende berichten die hem duidelijk zeer bang hebben gemaakt. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in dit specifieke geval dan ook mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat reeds daarom een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Daarbij komt dat het hof uit de mondelinge toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg, en het overgelegde zorgkostenoverzicht in verband met de verkregen zorg vanuit de (Basis)GGZ is gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, psychische schade heeft geleden.
Het hof heeft voor het bepalen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de geïndiceerde bandbreedte voor belaging in de Rotterdamse Schaal. Het hof heeft daarbij gelet op de duur, frequentie, intensiteit en aard van de belaging en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij.
Het hof stelt de omvang van de immateriële schade daarom op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid vast op € 1000,00. Het hof zal daarnaast de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 september 2020 toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Proceskosten
Het hof stelt vast dat de rechtbank in het vonnis per abuis heeft vermeld dat de gevorderde reiskosten € 68,48 bedroegen in plaats van € 64,48. Het hof overweegt omtrent het gevorderde bedrag van € 64,48 wegens reiskosten als volgt.
De benadeelde partij heeft de advocaat die hem in eerste aanleg rechtsbijstand heeft verleend, in het mede door hem ondertekende voegingsformulier gemachtigd om namens hem te procederen. In dit voegingsformulier is tevens een verzoek gedaan om de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten te vergoeden. Het gaat hierbij om reiskosten die zijn gemaakt voor twee bezoeken aan zijn advocaat in Harderwijk. Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij dergelijke reiskosten, als proceskosten vergoed kan krijgen (vgl. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, rechtsoverweging 2.4.3). In deze procedure heeft de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Deze reiskosten worden daarom afgewezen.

Opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

Aangezien het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf komt, waarvan het onvoorwaardelijke deel na aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht reeds is uitgezeten door de verdachte, acht het hof geen verdere redenen (meer) aanwezig om de voorlopige hechtenis te continueren. Om die reden zal het hof het reeds geschorste bevel, strekkende tot voorlopige hechtenis opheffen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3, de opgelegde gevangenisstraf, de opgelegde (vrijheidsbeperkende) maatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte hetgeen tenlastegelegd onder 3 heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
44 (vierenveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK TELEFOON merk/type OPPO Cphl931 (goednummer: [nummer]).
Opheffing dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht), inhoudend zowel een contactverbod als een gebiedsverbod.
Vordering van de benadeelde partij [aangever]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.765,45 (duizend zevenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 765,45 (zevenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.765,45 (duizend zevenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 765,45 (zevenhonderdvijfenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
22 september 2020
en van de immateriële schade op
21 september 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. mr. M.J.A. Duker, R.A.E. van Noort en mr. J. Boksem en, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson en mr. R.C.E. van Tilburg, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
Mr. J. Boksem en mr. S.S.I. Jackson zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]

Voetnoten

1.Pro Justitia rapportage Pieter Baan Centrum 7 november 2025 inzake [verdachte] (09/000796-25), pagina 68.
2.Kamerstukken II 1976/77, 14413, 1-3, p. 23.