De rechtbank wees op 15 januari 2026 het vonnis af waarin het verzoek van appellant tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) werd afgewezen. Appellant stelde hoger beroep in op 28 januari 2026, wat buiten de wettelijke termijn van acht dagen na uitspraak viel. De rechtbank had appellant tijdens de zitting op 6 januari 2026 geïnformeerd over de datum van uitspraak en de termijn voor hoger beroep, waarmee zij voldeed aan de vereiste kennisgeving.
Appellant voerde aan dat zij en haar schuldhulpverlener de mededeling van de rechtbank verkeerd hadden begrepen en dachten dat de uitspraak pas na vijftien dagen zou volgen. Het hof verwierp dit verweer omdat het proces-verbaal duidelijk was en er geen sprake was van een door de rechtbank begane fout of verzuim die de termijnoverschrijding zou kunnen rechtvaardigen.
Daarnaast merkte het hof op dat appellant ook bij tijdig beroep niet ontvankelijk zou zijn geweest vanwege het ontbreken van een volledig overzicht van schulden, zoals vereist volgens de Faillissementswet. Er waren onvoldoende pogingen gedaan om de boekhouding van de vof te reconstrueren en contact met de ex-partner en boekhouder was niet onmogelijk gebleken.
Het hof verklaarde appellant daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en bevestigde daarmee de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de WSNP.