ECLI:NL:GHAMS:2026:476

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
23-000222-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang openbaar ministerie

In deze strafzaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van een tenlastelegging. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 2026 heeft de advocaat-generaal aangegeven dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep en de eerder ingediende grieven niet worden gehandhaafd.

Het hof heeft dit standpunt overgenomen en geoordeeld dat er geen rechtens te respecteren belang bestaat bij voortzetting van de behandeling van het hoger beroep. Daarbij is ook meegewogen dat verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 20 januari 2026. Twee van de drie rechters waren niet in staat het arrest mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het hoger beroep van het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000222-24
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-136756-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1974,
adres: [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2026.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. In zijn e-mail van 19 februari 2026 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep en de eerder ingediende grieven niet worden gehandhaafd. Om die reden heeft de advocaat-generaal zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, waarbij het hof tevens heeft meegewogen dat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 januari 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.