Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:427

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
23-002045-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf voor medeplegen en voorbereiden invoer van 320 kilo cocaïne via Schiphol

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren en 8 maanden wegens medeplegen van de invoer van circa 320 kilogram cocaïne op 24 mei 2021 en voorbereidingshandelingen tot invoer van cocaïne in meerdere periodes.

De verdachte had een actieve en aansturende rol, waarbij hij via medeverdachten die werkzaam waren op Schiphol misbruik maakte van hun positie en bevoegdheden. Het hof baseerde zich op afgeluisterde telefoongesprekken, sms-berichten, ontmoetingen, verklaringen van medeverdachten en ondersteunend bewijs zoals vluchtgegevens en douanecontroles.

De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf, maar het hof achtte deze straf onvoldoende gelet op de ernst van de feiten, de omvang van de hoeveelheid cocaïne en de professionele, georganiseerde wijze van handelen. De verdachte stond in nauw contact met medeverdachten en regelde onder meer het vervoer van de drugs vanaf Schiphol.

De redelijke termijn was zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overschreden, maar het hof kende slechts een beperkte strafkorting toe vanwege gezondheidsproblemen van de verdachte. De schorsing van de voorlopige hechtenis werd opgeheven vanwege overtreding van schorsingsvoorwaarden en vluchtgevaar.

Het hof gelastte tevens teruggave van een in beslag genomen mobiele telefoon die niet in verband stond met de strafbare feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 jaar en 8 maanden gevangenisstraf voor medeplegen en voorbereidingshandelingen van invoer van 320 kilo cocaïne via Schiphol.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002045-23
datum uitspraak: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-184888-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ter lande,
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven buitenlands adres: [adres 3] ) .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 19 en 26 februari 2025, 27 en 29 januari en 24 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de gemachtigd raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd:
feit 1. (zaaksdossier C.01)
het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 320 kilogram cocaïne op 24 mei 2021;
feit 2. (zaaksdossiers C.01, C.02 en C.04)
het medeplegen van voorbereidingshandelingen en/of bevorderingshandelingen om een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) opzettelijk binnen Nederland te brengen en/of te vervoeren in de periode van 25 november 2020 tot en met 24 mei 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis van de rechtbank

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. Het hof schaart zich weliswaar grotendeels achter de overwegingen van de rechtbank, maar oordeelt wel (enigszins) anders dan de rechtbank op een aantal onderdelen en wijzigt deze of vult deze aan. Voorts komt het hof tot een iets andere bewezenverklaring en legt het hof een andere straf op.

4.Bewijsoverwegingen

4.1.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank en heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2.
Ten aanzien van feit 1 geldt dat er te weinig bewijs is dat 1) de verdachte een voor het transport initiërende rol heeft gehad, 2) hij beschikte over specifieke kennis en 3) hij in contact stond met de personen in Zuid-Amerika die de cocaïne aan boord van het vliegtuig konden plaatsen. Bovendien is er te weinig bewijs voor medeplegen. De bijdrage van de verdachte is daartoe van onvoldoende gewicht geweest, omdat er niet meer is dan een handjevol telefoongesprekken, een ontmoeting en wat sms-berichten die niet wijzen op het invoeren van cocaïne.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachte te vaag en onduidelijk zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen leiden. Mocht al worden aangenomen dat de gesprekken over drugs gingen, dan is daarmee nog niet aangetoond dat [medeverdachte 1] en de verdachte daadwerkelijk bezig waren drugstransporten voor te bereiden.
4.2.
Identificatie: telefoonnummers en bijnamen
In het dossier zijn verschillende telefoons, telefoonnummers en bijnamen beschreven. Uit de bewijsmiddelen [1] volgt welke telefoon, welk telefoonnummer en welke bijnaam in gebruik was bij een verdachte.
Het hof stelt vast dat de navolgende telefoonnummers en bijnamen in gebruik waren bij de daarachter genoemde verdachten. De raadsvrouw van de verdachte heeft geen verweer gevoerd tegen de koppeling van haar cliënt aan een bepaald telefoonnummer en heeft te kennen gegeven dat haar cliënt de koppelingen ook niet betwist. Voorts is geen verweer gevoerd tegen de koppeling van andere, hierna te noemen telefoonnummers aan een aantal medeverdachten.
Het betreft hier:
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 1] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [2]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 2] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [3]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 3] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [4]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 4] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [5]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 5] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [6]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 6] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [7]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 7] in gebruik bij [medeverdachte 2] [8] (bijnaam [bijnaam 1] en [bijnaam 2] ); [9]
 telefoonnummers eindigend op [cijfers 8] en eindigend op [cijfers 9] in gebruik bij [medeverdachte 2] ; [10]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 10] in gebruik bij [verdachte] ; [11]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 11] in gebruik bij [verdachte] ; [12]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 12] in gebruik bij [verdachte] ; [13]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 13] in gebruik bij [verdachte] ; [14]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 14] in gebruik bij [verdachte] ; [15]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 15] in gebruik bij [verdachte] ; [16]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 16] in gebruik bij [verdachte] ; [17]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 17] in gebruik bij [medeverdachte 3] ; [18]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 18] in gebruik bij [medeverdachte 4] ; [19]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 22] in gebruik bij [medeverdachte 5] (bijnaam [bijnaam 3] ); [20]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 20] in gebruik bij [medeverdachte 6] (bijnaam [bijnaam 4] ); [21]
 telefoonnummer eindigend op [cijfers 21] in gebruik bij [medeverdachte 7] . [22]
4.3. 1.
1. Bewijswaarde van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken
Door de raadsvrouw is bepleit dat behoedzaam moet worden omgegaan met de interpretatie van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar het Almapayo-arrest.
Het hof neemt de overweging in het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de bewijswaarde van de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken over en maakt deze tot de zijne en vult deze voor zover nodig aan als hieronder weergegeven.
Dit hof heeft in het Alpamayo-arrest [23] een kader gegeven voor de beoordeling van de bewijswaarde en de bewijskracht van de inhoud van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, door het Openbaar Ministerie gepresenteerd als versluierd van karakter, en de te stellen eisen aan de verankering in ondersteunend bewijs.
Dit kader houdt in dat in het geval waarin een verdachte zwijgt of ontkent, het vooral aankomt op de betekenis die voor het bewijs moet worden toegekend aan de inhoud van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, de kring van personen met wie die gesprekken zijn gevoerd, alsmede de continuïteit waarin zij voorkomen en overige gedragingen dan wel gebeurtenissen, waarvan is vastgesteld dat deze respectievelijk zijn verricht en zich hebben voorgedaan, zoals reisbewegingen en ontmoetingen. Verder kan een rol spelen dat cocaïne (of een andere stof genoemd op lijst I behorende bij de Opiumwet) op een voor de bewijslevering relevante plaats en/of tijdstip is aangetroffen.
Van een bijzondere complicatie is sprake wanneer in die telefoongesprekken niet met zoveel woorden ondubbelzinnig is gesproken over achtereenvolgens cocaïne (of een andere stof genoemd op lijst I behorende bij de Opiumwet) en de ten aanzien van de invoer of van de verkoop, de aflevering of het vervoer van die stof te ondernemen of ondernomen gedragingen. Om in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van die gesprekken niettemin te duiden als – kort gezegd – betrekking hebbend op harddrugs, is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. Immers, wanneer het ten aanzien van de betekenis van het gesproken en afgeluisterde woord in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan, is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig.
Die te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde gesprekken, gedragingen en gebeurtenissen de door de officier van justitie voorgestelde duiding slechts kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Het hof dient na te gaan of de voor het bewijs te gebruiken verslagen van die gesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van een of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op de een of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat. Ook kan het hof onder omstandigheden en in het licht van overig voorhanden bewijs ten nadele van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet verifieerbaar verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde gesprekken.
Het resultaat van deze in zoverre terughoudende wijze van beoordelen kan zijn, dat niet valt te reconstrueren wat het feitelijk substraat van de voor het bewijs te gebruiken gesprekken is geweest. Daarbij valt te denken aan een niet uit de gesprekken af te leiden rolverdeling of nauwkeurige omlijning van de bijdrage van elk van de betrokkenen. Onder omstandigheden hoeven deze situaties niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring, namelijk indien uit de inhoud van de gesprekken voldoende blijkt van een betekenisvolle bijdrage van de verdachte.
4.3.2.
Beoordeling van de inhoud van de opgenomen en afgeluisterde gesprekken
Het hof sluit zich aan bij de interpretatie van de rechtbank met betrekking tot de gesprekken die [verdachte] met de medeverdachten heeft gevoerd en ook die de medeverdachten onderling hebben gevoerd en die voor het bewijs worden gebruikt. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de gesprekken over (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne gingen. Het hof acht daarbij de volgende factoren in onderling verband en samenhang beschouwd van belang.
Dat de gesprekken over het transport van verdovende middelen gingen wordt ondersteund door meerdere bewijsmiddelen in het dossier, zoals vluchtgegevens, roostergegevens over de medeverdachten, observaties en het gegeven dat er op 24 mei 2021 daadwerkelijk ruim 320 kilo cocaïne verborgen in 5 bloemendozen is aangetroffen in een vliegtuig.
In hoger beroep komt daar nog bij de bekennende verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechtbank op 14 maart 2024 in zijn eigen zaak heeft afgelegd en die is gevoegd in de zaak van [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft bij de rechtbank verklaard dat de conclusies van de KMar over de gesprekken juist zijn, dat hij de in het dossier genoemde gesprekken heeft gevoerd en dat deze hebben te maken met (zo begrijpt het hof) de ten laste gelegde invoer van cocaïne en de voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne die hij samen met anderen heeft verricht. Betekenisvol in dit verband is de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] , die hij als getuige in hoger beroep in de zaak van de verdachte heeft afgelegd, voor zover die verklaring inhoudt dat hij van [medeverdachte 1] een telefoon heeft gekregen waarmee hij hem desgevraagd van informatie over douanecontroles heeft voorzien. Hij heeft verder verklaard dat hij voor [medeverdachte 1] in de gaten hield wat er op het laad- en losplatform gebeurde, dat hij [medeverdachte 1] telefonisch vertelde wat er gebeurde, en dat hij op 24 mei doorgaf wat er met de lading van de desbetreffende vlucht gebeurde. Daarmee wordt de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover inhoudende dat hij betrokken was bij (de voorbereiding van) invoer van cocaïne op Schiphol onderbouwd.
De conclusie van de KMar dat de gesprekken over (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne gingen vinden dus zowel ondersteuning in andere bewijsmiddelen in het politiedossier als in de zojuist genoemde verklaringen van de medeverdachten.
4.4.
Feitenvaststelling
Het hof neemt de overweging in het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de feiten grotendeels over, maakt deze tot de zijne en wijzigt deze/vult deze hier en daar nog aan als hieronder weergegeven
Ten aanzien van de periode van 25 november 2020 – 28 november 2020 (zaaksdossier C.02)
Op woensdag 25 november 2020 vraagt [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] in het rooster (van [bedrijf 1] ) wil kijken wie er op bepaalde dagen aan het werk zijn. Vlak daarna belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt [medeverdachte 1] of ‘de andere kant’ klaar is. [verdachte] antwoordt dat het zaterdag (het hof begrijpt: 28 november 2020) kan en dat hij deze alvast doorgeeft. Vervolgens belt [medeverdachte 1] opnieuw naar [medeverdachte 3] en vraagt of ‘de [bijnaam 1] ’ (de bijnaam van [medeverdachte 2] ) moet werken zaterdag. [medeverdachte 3] antwoordt dat de [bijnaam 1] er zaterdag is. [medeverdachte 1] belt daarna met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] meldt aan [medeverdachte 1] dat hij zaterdag aanwezig is.
Op vrijdag 27 november 2020 laat [verdachte] weten dat hij een bericht voor morgen heeft gekregen. Hij heeft (zo begrijpt het hof) eerder verdere informatie via een andere app (Signal) gestuurd die [medeverdachte 1] nog niet had gelezen omdat hij nog geen gebruik maakte van Signal. Dezelfde avond geeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] door dat het morgen om één doos gaat en dat deze doos op de Transfer vracht zit. [medeverdachte 1] zegt dat hij de doos zal laten weghalen en dat hij de doos achter zal gooien, zoals altijd. [medeverdachte 1] laat ook aan [medeverdachte 2] weten dat het om één doos gaat op de ‘Trans’. [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 2] om de doos weg te halen en buiten te zetten.
Op zaterdag 28 november 2020 belt [verdachte] met [medeverdachte 1] en informeert hoe laat de vlucht landt. [medeverdachte 1] antwoordt: kwart voor negen. Uit het vluchtschema van 28 november 2020 volgt dat om 8.35 uur vlucht [vluchtnummer 1] , afkomstig uit Ecuador, op Schiphol zou landen. Deze vlucht zou worden afgehandeld door [bedrijf 1] .
[medeverdachte 3] was loading supervisor bij [bedrijf 1] en laat rond 7:06 uur aan [medeverdachte 1] weten dat hij waarschijnlijk de vlucht zal afhandelen. Ongeveer een uur later vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] om te kijken waar de vrachtplaat zit en vraagt of hij het daar weg kan halen. Als er geen douane aanwezig is, moet de doos van [medeverdachte 1] bij de bulkvracht worden geplaatst omdat die niet gecontroleerd zal worden ("bulk is niet rood"). Ongeveer tien minuten later laat [medeverdachte 3] weten dat alle vracht gescand zal worden. Om 8:34 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] laat weten dat er veel douane is, maar dat hij zal proberen om foto’s te maken. Om 10:04 uur belt [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] en deelt hij mee dat hij probeert een film te maken en hij belooft op herhaald aandringen van [medeverdachte 1] ook foto’s te maken en die gelijk op te sturen naar [medeverdachte 1] . Verder geeft hij door dat de douane er één heeft geklaard en dat hij boven zeven zeven is. Het platform R-77 ligt direct naast platform R-74, waar vlucht [vluchtnummer 1] was geland. Het hof is van oordeel – mede gelet op de verklaring die [medeverdachte 2] heeft afgelegd als getuige - dat [medeverdachte 2] op platform R-77 stond om foto’s of een filmpje te maken. Om 8:50 uur hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een ontmoeting bij een loods aan de [adres 2] in [plaats 1] . Een half uur later laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 6] weten dat hij het nummer van de vrachtplaat zal sturen. In een later gesprek met [medeverdachte 6] om 14:24 uur noemt [medeverdachte 1] nummer 7499. Bij het lossen van vlucht [vluchtnummer 1] bleek dat er één vrachtplaat was waarbij de cijfercombinatie 7499 in het vrachtplaatnummer voorkwam. Op deze vrachtplaat waren bloemendozen geladen, met herkomst Ecuador.
[medeverdachte 3] informeert [medeverdachte 1] om 9:55 uur dat de Transfervracht ook door de douane is meegenomen. [medeverdachte 1] vraagt om 09.56 uur aan [medeverdachte 3] of hij stiekem een paar foto’s kan maken. Om 12:08 uur vraagt [verdachte] wat ‘ [bijnaam 4] ’ heeft gezegd. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij nog niets heeft gehoord en dat het nog twee tot vier uur kan duren. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] of hij het gelijk wil laten weten als hij iets hoort. Een aantal minuten later belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] zegt dat hij nog niets heeft gehoord. In een telefoongesprek van 14:24 uur zegt hij vervolgens tegen [medeverdachte 1] dat hij een bewijs heeft gestuurd dat het door de douane is gecontroleerd ("dat het rood is"). Een dag later informeert [medeverdachte 1] [verdachte] dat de vracht door de douane is gecontroleerd en dat [bijnaam 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) een foto heeft gemaakt waarop dit te zien was. [verdachte] vraagt of de douane wat gevonden heeft, maar dat weet [medeverdachte 1] niet.
Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] spreken over een transport dat zal plaatsvinden op zaterdag 28 november 2020 en dat [verdachte] dit zal gaan doorgeven, naar het hof begrijpt aan derden. Het blijkt te gaan om een vrachtvliegtuig dat op 28 november 2020 vanuit Ecuador op Schiphol zou landen. [verdachte] heeft informatie hierover aan [medeverdachte 1] doorgegeven. Op 28 november 2020 heeft [verdachte] vlakbij Schiphol een ontmoeting met [medeverdachte 1] gehad en heeft hij verschillende keren bij [medeverdachte 1] geïnformeerd wat de stand van zaken was met betrekking tot het uithalen van de verdovende middelen.
Ten aanzien van de periode van 14 december 2020 – 18 december 2020 (zaaksdossier C.04)
Op 14 december 2020 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] dat hij wat (het hof begrijpt: geld) zal geven voor de jongens en dat die ‘binnen’ (het hof begrijpt: een persoon die in de vrachtloods werkt) is geregeld. Ze spreken af elkaar op 15 december 2020 te ontmoeten. Op 16 december 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij vrijdag (het hof begrijpt: 18 december 2020) komt. [verdachte] zegt dat alles is vastgespijkerd. Op 17 december 2020 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of ‘dat ding’ gezet is. [verdachte] antwoordt bevestigend. Op 18 december 2020 informeert [medeverdachte 1] [verdachte] dat hij alle foto’s heeft. [verdachte] zegt dat hij het kort van te voren moet sturen. [medeverdachte 1] zegt dat hij alvast de nummers gaat sturen. [verdachte] zegt dat hij dat nog niet moet doen. Ze spreken af om elkaar rond 19:00 of 20:00 uur te zien. Op 18 december 2020 om 21:00 uur arriveert op platform S79 op Schiphol een vliegtuig, afkomstig uit Guatemala (via Ecuador, Colombia en Miami). De vrachtafhandeling van de vlucht wordt verzorgd door [bedrijf 2] . [medeverdachte 1] rijdt tijdens het afhandelingsproces van deze vlucht met een plaatwagen over dit platform. Rond dezelfde tijd belt [medeverdachte 1] met [verdachte] en zegt - zo begrijpt het hof uit het versluierde taalgebruik - dat er veel douane is, maar dat het ding van hun niet in de scan is. [verdachte] vraagt of hij ook binnen heeft gekeken. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij niet naar boven is geweest omdat ze met velen (het hof begrijpt: veel mensen van de douane) zijn. Een aantal minuten later belt [medeverdachte 1] opnieuw naar [verdachte] en laat hem weten in welke vrachtloods (vrachtloods [bedrijf 2] 9, deur 18) de vrachtplaten uit het vliegtuig worden gelost. [medeverdachte 1] zegt dat hij niet zelf kan kijken, omdat hij de telefoon bij zich heeft. De vracht wordt gelost bij vrachtloods [bedrijf 2] 9, die in gebruik is bij het bedrijf [bedrijf 3] . De douane scant de vracht op verdovende middelen. Er wordt niets aangetroffen. Om 22:20 uur laat [verdachte] aan [medeverdachte 1] weten dat een persoon even gaat kijken bij vrachtloods 9 van [bedrijf 3] en dat hij wacht tot die persoon hem terug belt. [verdachte] zegt dat hij niet tegen hem heeft gezegd dat er ogen op hem gericht waren, omdat hij anders misschien bang zou worden. [verdachte] zegt dat hij niet denkt dat er wat was.
Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [verdachte] in de periode van 14 tot en met 18 december 2020 met [medeverdachte 1] heeft gesproken over cocaïne die aan boord van een vrachtvliegtuig zou zijn gezet en dat hij tijdens het afhandelingsproces van een vrachtvliegtuig op 18 december 2020 door [medeverdachte 1] is geïnformeerd over de aanwezigheid van de douane. Vervolgens staat [verdachte] in contact met een persoon die bij de vracht in de vrachtloods is gaan kijken.
Ten aanzien van de periode van 27 januari 2021 – 24 mei 2021 (zaaksdossier C.01)
Op 27 januari 2021 belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt: "Een taxi voor volgende week?". [medeverdachte 1] vraagt toestemming aan [verdachte] om verder te gaan. [verdachte] geeft hiervoor toestemming en laat weten dat er iets niet klopt met de man van het belhuis en dat [medeverdachte 1] voorzichtig moet zijn. [medeverdachte 1] zegt dat hij maar één dag heeft ‘gedingest’. [verdachte] stelt voor om elkaar de dag erna te ontmoeten. Op 28 januari 2021 vindt, zo begrijpt het hof uit de bewijsmiddelen, een ontmoeting plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] in een loods in [plaats 2] . Op 1 februari 2021 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] dat hij had gedacht dat [medeverdachte 1] vandaag nog ging ‘spelen’. [medeverdachte 1] zegt dat hij dat niet zonder toestemming van [verdachte] doet. [verdachte] en [medeverdachte 1] bespreken vervolgens een aantal dagen (vijfde, achtste, tiende) in februari waarop een invoer van verdovende middelen zou kunnen plaatsvinden.
Vervolgens is er tot 7 mei 2021 geen contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] geweest. Op 7 mei 2021 volgt er een reeks sms-berichten, waarin [verdachte] vraagt of ze vanaf maandag weer kunnen. [medeverdachte 1] antwoordt dat het vanaf week 21 kan, maar dat hij zal kijken of het eerder kan. [verdachte] stuurt dan even later het bericht:
gewoon gezegd: we zijn weer ready. Vlak daarna vraagt [medeverdachte 1] aan de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op [cijfers 22] (het hof begrijpt hier en verder: [medeverdachte 5] ) wanneer het zou kunnen. Er wordt dan verder besproken wanneer [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zouden kunnen. Ook komt ter sprake dat er steekproeven plaatsvinden. [medeverdachte 1] laat daarbij weten dat iedereen klaar staat en dat het voor zijn vriend is, die hij al zo lang niet had gezien en ‘voor wie ze altijd waren’. [medeverdachte 1] belt ook met [medeverdachte 2] om in het rooster te kijken wie er zijn op maandag. [medeverdachte 1] zegt daarbij dat "binnen" is geregeld en dat "binnen" geen probleem is. Op 10 mei 2021 belt [medeverdachte 1] met het telefoonnummer [cijfers 22] en vraagt of er voor “een zeven” of “twee vier” (het hof begrijpt: 17 of 24 mei) mensen geregeld kunnen worden. Op 15 mei 2021 belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en bespreken ze een aantal dagen waarop de invoer van verdovende middelen zou kunnen plaatsvinden. [medeverdachte 1] noemt in een sms-bericht aan [verdachte] de data 19, 21 en 26 of 31 (het hof begrijpt: 19, 21 en 26 of 31 mei). Hierop stuurt [verdachte] een sms-bericht terug dat hij 24 (het hof begrijpt: mei) ook moet regelen, hij zal ervoor betalen. [verdachte] vraagt die avond of [medeverdachte 1] ook de ‘taxi’ wil regelen. Op 21 mei 2021 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij het voor maandag (het hof begrijpt: 24 mei) nog heeft geregeld. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij ‘buiten’ nog niet heeft kunnen regelen. [medeverdachte 1] belt later met [verdachte] om deze informatie door te geven. [verdachte] geeft aan [medeverdachte 1] de opdracht om zijn mensen stand-by te houden. Hij gaat mensen bellen en laat binnen een uurtje weten of het lukt. Daarna spreken [medeverdachte 1] en [verdachte] over het regelen van de ‘taxi’ (vervoer van de cocaïne vanaf Schiphol). Om 16:31 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [medeverdachte 1] met de tekst ‘geef me tot 20 uur ze zijn bezig’. Om 19:50 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij tegen ‘die [bijnaam 4] ’ heeft gezegd dat hij stand-by moet blijven. Later die avond omstreeks 21:19 uur volgt een ontmoeting tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Ongeveer twee uur later belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt dat alles op schema ligt. [medeverdachte 1] vraagt of de lading op de T (het hof begrijpt: transfervracht) zit, omdat dat beter is. [verdachte] antwoordt dat hij dit morgenochtend hoort. De volgende ochtend, op 24 mei 2021 om 7:51 uur, laat [medeverdachte 1] aan [verdachte] weten dat het vliegtuig eerder dan gepland zal landen en dat de ‘taxi’ eerder moet komen. [verdachte] gaat dit aan de ‘taxi’ laten weten. Om 8:21 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] en zegt dat hij het gelijk moet weghalen, dat hij moet kijken hoe de situatie is maar als die auto (het hof begrijpt: de douane) er is dat hij dan rustig moet doen. [medeverdachte 2] belt om 8:31 uur terug en zegt tegen [medeverdachte 1] dat ‘ze’ er zijn en dat het vol is. Het hof begrijpt uit dit bericht dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] laat weten dat er douane op het platform is. [medeverdachte 1] geeft dit door aan [verdachte] . Omstreeks 8:38 uur is [medeverdachte 2] gezien op platform R74, alwaar vlucht [vluchtnummer 2] zou worden gelost. Op 24 mei 2021 rond 8:41 uur is een vrachtvliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer 2] afkomstig uit Ecuador op Schiphol geland. De vracht uit dit vliegtuig werd afgehandeld door [bedrijf 1] .
Om 9:04 uur informeert [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] dat alle lading uit het vliegtuig gecontroleerd wordt, ook de transfervracht. [medeverdachte 1] licht [verdachte] hierover in. Ze voeren hierna een aantal gesprekken over het al dan niet blijven wachten van de ‘taxi’. [medeverdachte 1] zegt om 9:31 uur dat de ‘taxi’ weg moet gaan. [verdachte] vraagt of het ‘hoofdpijn’ is. [medeverdachte 1] antwoordt bevestigend.
Rond 9:36 uur zijn tijdens het lossen vijf bloemendozen aangetroffen die in totaal ruim 320 kilogram cocaïne bevatten.
Om 9:39 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt of de douane heeft meegenomen wat erin was gezet. [medeverdachte 1] antwoordt dat alle vracht eruit moest en dat ‘die [bijnaam 4] ’ gaat kijken. [verdachte] zegt dat die persoon foto’s moet maken. [medeverdachte 1] laat [verdachte] daarna weten dat hij geen foto heeft kunnen maken.
[medeverdachte 2] belt om 10:06 uur met [medeverdachte 1] en zegt dat alle vijf dozen er waren en dat de douane alles heeft gevonden. [medeverdachte 1] licht [verdachte] direct na dit gesprek in over de inbeslagname.
Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [verdachte] in de periode van 27 januari 2021 tot en met 1 februari 2021 met [medeverdachte 1] heeft gesproken over het voorbereiden van de invoer van cocaïne. [verdachte] en [medeverdachte 1] spreken over mogelijke data voor een transport in februari en het regelen van personen die cocaïne zouden kunnen vervoeren (taxi). Hierna was er een periode van ongeveer drie maanden waarin er geen contact was tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Vanaf 7 mei 2021 ontstaat er weer contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verdachte] en [medeverdachte 1] bereiden vanaf dat moment gezamenlijk een transport van cocaïne voor, dat uiteindelijk op 24 mei 2021 plaatsvindt. Zij spreken over dagen waarop de invoer van de cocaïne zou kunnen plaatsvinden, over het aankomsttijdstip van het vliegtuig, over de aanwezigheid van en controle door de douane, over personen die de cocaïne uit het vliegtuig zouden kunnen halen en over het regelen van personen die cocaïne zouden kunnen vervoeren (taxi). [verdachte] heeft geregeld dat de door de douane aangetroffen hoeveelheid van 320 kilogram cocaïne in het vliegtuig is geplaatst en heeft om een foto van de inbeslagname gevraagd. Het hof acht het in dit verband aannemelijk dat deze foto moest dienen als bewijs van dan wel verantwoording voor het onderscheppen van de cocaïne door de douane.
4.5.
Invoer cocaïne (feit 1)
Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van zaaksdossier C.01 blijkt naar het oordeel van het hof dat [verdachte] zich op 24 mei 2021 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 320 kilo cocaïne.
4.6.
Voorbereidingshandelingen (feit 2)
Met de zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen heeft de wetgever het mogelijk willen maken dat in een vroeg stadium van de organisatie van (internationale) handel in (hard)drugs kan worden ingegrepen.
Voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om het vervoer en de invoer voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet zijn beschreven.
Voor het bewijs is niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf door bepaalde omstandigheden niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen.
Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de gesprekken te vaag en onduidelijk zijn om van voorbereidingshandelingen te kunnen spreken.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de zaaksdossiers C.01, C.02 en C.04 blijkt onmiskenbaar dat [verdachte] en [medeverdachte 1] opzet hadden op de invoer van cocaïne in Nederland via Schiphol. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben vervolgens uitvoering gegeven aan deze intentie door meerdere telefoongesprekken en ontmoetingen met elkaar te hebben ten behoeve van (het voorbereiden van) de invoer van cocaïne via Schiphol. De gesprekken en ontmoetingen over de invoer van cocaïne waren concreet genoeg. Zij hebben ertoe geleid dat [medeverdachte 1] in opdracht van [verdachte] schipholmedewerkers heeft aangestuurd om bij mogelijke transporten cocaïne uit het vliegtuig te halen en informatie te verstrekken over douanecontroles. In de gesprekken worden bovendien specifieke data, tijdstippen en vluchten besproken waarop de transporten zouden moeten plaatsvinden.
Van belang is in dit verband dat de voorbereidingshandelingen ten aanzien van de verschillende periodes in één feit tenlastegelegd zijn. De voorbereidingshandelingen die zijn gepleegd in de verschillende kortere periodes moeten dan ook in onderling verband en samenhang worden beschouwd. De omstandigheid dat het dossier ten aanzien van een aantal van de transporten minder communicatie bevat dan bij de andere transporten laat onverlet dat er ter zake van elk van die transporten voldoende bewijs voorhanden is, en zij doet dus niets af aan het gegeven dat [verdachte] zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode bezig heeft gehouden met het voorbereiden van cocaïnetransporten.
4.7.
Medeplegen
Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . De materiële en intellectuele bijdrage van [verdachte] is daarbij van voldoende gewicht geweest om van medeplegen te kunnen spreken. De verdachte [verdachte] heeft het hof geen aannemelijk alternatief gegeven voor de betekenis die het hof hierbij heeft gegeven aan de gesprekken die de verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gevoerd.
[verdachte] heeft in de periode van 25 november 2020 tot en met 24 mei 2021 op meerdere momenten met [medeverdachte 1] gesproken en ontmoetingen gehad over (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne. [verdachte] had daarbij een actieve en aansturende rol. [verdachte] voorzag [medeverdachte 1] van informatie over het aankomende transport, waarna [medeverdachte 1] vervolgens Schipholmedewerkers aanstuurde om de cocaïne uit het vliegtuig te halen en informatie te verstrekken over douanecontroles. Terwijl [medeverdachte 1] de Schipholmedewerkers aanstuurde in opdracht van [verdachte] informeerde [medeverdachte 1] [verdachte] (al dan niet op verzoek van [verdachte] ) voortdurend over de stand van zaken, zodat zij er gezamenlijk voor konden zorgen dat de invoer zou slagen. Daarnaast hield [verdachte] zich bezig met het regelen van ‘taxi’s’ om de drugs vanaf Schiphol verder te vervoeren. Bovendien stond [verdachte] tenminste indirect in contact met de personen die er vanuit Zuid-Amerika zorg voor droegen dat de verdovende middelen in het vliegtuig werden geplaatst.
Anders dan de raadsvrouw is het hof dan ook van oordeel dat [verdachte] zich als medepleger heeft beziggehouden met de invoer van ruim 320 kilo cocaïne op 24 mei 2021 op Schiphol en de voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne in verschillende periodes.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 24 mei 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 320 kilogram cocaïne
2.
hij in de periode van 25 november 2020 tot en met 24 mei 2021 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren van een grote hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne), voor te bereiden en/of te bevorderen
  • een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen en
  • zich en een ander of anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen
immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededaders, tezamen en in vereniging met elkaar toen en daar opzettelijk:
C.02 periode 25 november 2020 – 28 november 2020
  • meermalen via telecommunicatie en/of persoonlijk contact gehad en overleg gevoerd en informatie uitgewisseld (onder meer over het beschikbaar zijn op de luchthaven Schiphol voor het uithalen en/of verder vervoeren van voornoemde verdovende middelen uit het betreffende vliegtuig, over het geplaatst zijn van voornoemde verdovende middelen op de betreffende vlucht en over de controle van de douane van de betreffende vlucht, en
  • een ander gereed gehouden te assisteren bij het uithalen en/of verder vervoeren van voornoemde verdovende middelen uit het betreffende vliegtuig van de luchthaven Schiphol en informatie gevraagd dan wel gegeven over de personele bezetting bij [bedrijf 1] en
  • een of meer actietelefoons voorhanden gehad en
C.04 periode 14 december 2020 - 18 december 2020
  • meermalen via telecommunicatie contact gehad en overleg gevoerd en informatie uitgewisseld onder meer over het hebben van voor de invoer relevante foto's en nummers van vrachtplaten en over de loslocatie van vrachtplaten en over het geplaatst zijn van voornoemde verdovende middelen op de betreffende vlucht en over de controle van de douane van de betreffende vlucht en
  • een of meer actietelefoons voorhanden gehad en
C.01 periode 27 januari 2021 - 24 mei 2021
  • meermalen via telecommunicatie en/of persoonlijk contact gehad en overleg gevoerd en informatie uitgewisseld (onder meer over de controle van de douane van de betreffende vlucht), althans gesprekken gevoerd in versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren en vervoeren van een grote hoeveelheid verdovende middelen en
  • informatie gevraagd dan wel gegeven over de personele bezetting bij [bedrijf 1] en
  • verzocht een foto opname te maken.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die als bijlage zijn opgenomen achter dit arrest.

6.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde onder 1 en 2 (voor zover het betreft de periode 7 mei 2021 tot en met 24 mei 2021) levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door
een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen
en door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
Het bewezenverklaarde onder 2 (voor zover het betreft de periode 25 november 2020 tot en met 1 februari 2021) levert op:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door
een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen
en door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.

7.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

8.Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest.
Eis van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof aan de verdachte een hogere staf moet opleggen dan de rechtbank heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal heeft de rechtbank te weinig betekenis toegekend aan de initiërende en sturende rol van de verdachte. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar die is hoofdzakelijk veroorzaakt door de verhindering van de verdachte in verband met gezondheidsredenen om bij de aanvankelijk geplande behandeling aanwezig te zijn ter terechtzitting, en derhalve geen reden tot strafmatiging.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de overschrijding van de redelijke termijn ertoe moet leiden dat de verdachte een strafkorting van 10% moet krijgen. De eis van de advocaat-generaal is te hoog gelet op vergelijkbare zaken. Het hof zou 3 jaar als uitgangspunt moeten nemen, waarna nog rekening moet worden gehouden met een aantal strafmatigende factoren. De raadsvrouw heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte een aansturende rol had, dat anderen aan hem verantwoording moesten afleggen, dat hij over specifieke kennis beschikte of contacten onderhield met mensen in Zuid-Amerika, terwijl [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij onder druk is gezet, maar niet door de verdachte. Verder heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte first-offender is met betrekking tot Opiumwet-feiten, zijn gezondheid hard achteruit is gegaan en zijn financiële situatie slecht is. De raadsvrouw heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van niet meer dan vier jaar passend zou zijn.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van 320 kilo cocaïne. De cocaïne zat verstopt in de ruimte van een vrachtvlucht uit Ecuador in vijf bloemendozen en is uiteindelijk op 24 mei 2021 aangekomen op Schiphol. In de periode daarvoor heeft de verdachte zich vanaf eind november 2020 in verschillende periodes bezig gehouden met de voorbereiding van de invoer van cocaïne.
Bij zowel de invoer van de cocaïne als de voorbereiding daarvan heeft de verdachte op een professionele wijze in georganiseerd verband gehandeld. De verdachte werkte intensief samen met [medeverdachte 1] om cocaïne in te voeren. De verdachte had daarbij een actieve en aansturende rol. Hij gaf informatie aan [medeverdachte 1] over de binnenkomende vluchten waarop de verdovende middelen zich bevonden. Vervolgens stuurde de verdachte [medeverdachte 1] aan om Schipholmedewerkers in te schakelen om de verdovende middelen van de vluchten te halen en informatie te verstrekken over douanecontroles. De verdachte regelde ook ‘taxi’s’ die de verdovende middelen verder moesten vervoeren vanaf het moment dat deze middelen Schiphol zouden verlaten. Gedurende de voorbereiding van de invoer van de cocaïne stond [verdachte] veelvuldig in contact met [medeverdachte 1] om op de hoogte te zijn van de stand van zaken. Er werd ook meermalen door de verdachte gevraagd foto’s te maken die als ‘bewijs’ moesten dienen voor de stand van zaken en/of eventuele inbeslagnames.
De verdachte was zelf niet werkzaam bij Schiphol, maar heeft door het inschakelen van [medeverdachte 1] wel (al dan niet indirect) misbruik gemaakt van de positie en bevoegdheden die de medeverdachten hadden op Schiphol. Door medeverdachten die werkzaam waren op Schiphol in te schakelen bleef de verdachte bovendien zelf op afstand en liep hij minder risico’s dan de medeverdachten.
Het organiseren van internationale drugstransporten en de voorbereidingen daarvan zijn ernstige misdrijven. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit en vormen zo een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen.
Anders dan de raadsvrouw ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden tot strafmatiging.
Gelet op al het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de feiten en het ondermijnende karakter ervan, is het hof van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een langdurige gevangenisstraf. Het gaat immers om voorbereidingshandelingen in meerdere periodes en een daadwerkelijk transport van 320 kilogram cocaïne. De rol van de verdachte was actief en aansturend. Op zijn verzoek hebben medeverdachten zich beziggehouden met (de voorbereiding van) de invoer van cocaïne.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen
plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gekregen in de Oriëntatiepunten van het
Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het daarin geformuleerde uitgangspunt voor alleen al de (georganiseerde) invoer van verdovende middelen bij een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram is
een gevangenisstraf van 6 jaar. Gelet op de hier bewezen verklaarde hoeveelheid cocaïne, de daarbij komende bewezen verklaarde voorbereidingshandelingen over meerdere periodes en de rol van de verdachte, oordeelt het hof dat de door de rechtbank opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaar passend en geboden voor deze feiten.
Redelijke termijn
Het hof is nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep bij het hof hebben
plaatsgevonden binnen een redelijke termijn.
In eerste aanleg bevond de verdachte zich (grotendeels) in detentie. De verdachte is op 13 juli 2021 in verzekering gesteld en met ingang van 15 juni 2022 is zijn voorlopige hechtenis geschorst. Als uitgangspunt hoort te gelden bij een verdachte die gedetineerd is dat binnen 16 maanden een einduitspraak volgt. In eerste aanleg is de termijn van 16 maanden van toepassing. De rechtbank heeft op 30 juni 2023 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn met iets meer dan 7 maanden overschreden.
In hoger beroep geldt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst is gebleven en dat hij dus niet meer gedetineerd is geweest. Als uitgangspunt geldt dan dat binnen 2 jaren een einduitspraak moet volgen. Door het openbaar ministerie is op 12 juli 2023 hoger beroep ingesteld. De verdachte heeft vervolgens op 14 juli 2023 ook hoger beroep ingesteld. Het hof doet heden, op 24 februari 2026, uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn met iets meer dan 7 maanden overschreden.
De redelijke termijn is dus zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overschreden. De overschrijding was in eerste aanleg in belangrijke mate het gevolg van de tijd die - kort samengevat - nodig was voor nader onderzoek op verzoek van de verdediging. In hoger beroep is de overschrijding (wederom) het gevolg geweest van tijd die nodig was voor nader onderzoek op verzoek van de verdediging, maar was het met name de ziekte van de verdachte in februari/maart 2025 die ervoor zorgde dat hij niet in staat was bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn terwijl hij wel gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De inhoudelijke behandeling van zijn zaak heeft daardoor vertraging opgelopen. Vervolgens is er pas in januari 2026 weer een nieuwe zitting voor de inhoudelijke behandeling gepland.
Het hof ziet aanleiding om gelet op het voorgaande een strafkorting toe te kennen aan de verdachte van 4 maanden. Dit betekent dat de door het hof passend geachte gevangenisstraf van 7 jaren wordt verminderd naar een gevangenisstraf van 6 jaren en 8 maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof zal de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft de aan hem bij beslissing van 30 juni 2023 opgelegde schorsingsvoorwaarde om bij adreswijziging zijn nieuwe adres schriftelijk door te geven aan de officier van justitie overtreden. Het hof is van oordeel dat het overtreden van schorsingsvoorwaarde dient te leiden tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het hof betrekt bij de beslissing de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen ook dat:
  • aan de verdachte door het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van 6 jaren en 8 maanden;
  • de verdachte onduidelijk is over zijn verblijfplaats. Uit de mededelingen van de raadsvrouw maakt het hof op dat de verdachte meerdere periodes per jaar in [land] verblijft, maar dat hij in Nederland woonachtig is. De verdachte is momenteel uitgeschreven bij zijn eerder in Nederland bekende adres. Hij heeft verzuimd schriftelijk een nieuw Nederlands of buitenlands adres door te geven aan de officier van justitie. De enige wijze waarop het hof een (buitenlands) adres van de verdachte heeft kunnen achterhalen waar hij mogelijk zou kunnen verblijven, is de vermelding van een woonadres bovenaan een brief van een ziekenhuis (waar de verdachte stelt onder behandeling te zijn) die door de raadsvrouw ter terechtzitting is overhandigd. Voor het hof staat niet vast dat het hier wel om het werkelijke adres van de verdachte gaat, nu, zoals tijdens de terechtzitting in hoger beroep is gebleken, ook vraagtekens zijn te plaatsen bij de authenticiteit van namens de verdachte overgelegde medische verklaring.
  • de verdachte kennelijk op en neer reist tussen [land] en Nederland. Tijdens de vorige inhoudelijke behandeling in februari 2025 had de verdachte gezondheidsproblemen, waardoor hij niet in staat was naar Nederland af te reizen, terwijl hij wel gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Uit de mededelingen van de raadsvrouw maakt het hof op dat de verdachte nadien wel weer in Nederland is geweest. Momenteel verblijft de verdachte wederom in [land] met gezondheidsproblemen.
Het veroordelende arrest van heden levert zonder meer de vereiste ernstige bezwaren op. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er een vluchtgevaar is en dat dit naast het veroordelende arrest als zodanig en de geschokte rechtsorde ook een grond oplevert voor de voorlopige hechtenis.
Bij afweging van enerzijds de strafvorderlijke belangen bij opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis, waarbij onder meer een rol speelt het feit dat de verdachte nu een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt van langere duur dan de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht alsmede het feit dat hij zich niet aan een van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden heeft gehouden, en anderzijds de persoonlijke belangen van de verdachte bij de voortduring van de schorsing, acht het hof termen aanwezig om de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum van deze einduitspraak (24 februari 2026) op te heffen.

9.Beslag

Onder de verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
-1.00 STK GSM Nokia, kleur zwart; 10252.
Het hof zal ten aanzien van deze Nokia telefoon teruggave aan de verdachte gelasten, omdat deze telefoon aan de verdachte toebehoort en niet is gebleken dat deze telefoon in relatie staat tot de bewezenverklaarde strafbare feiten.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

11.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren en 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
-1.00 STK GSM Nokia, kleur zwart; 10252.
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. E. Mijnsberge en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Aangezien de hier bedoelde identificaties – met bijbehorende bijnamen – niet zijn betwist, volstaat het hof met de zakelijke weergave in het arrest van de in dit verband redengevende inhoud en het opnemen van de vindplaats van de gebruikte bewijsmiddelen in voetnoten. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en de verklaring van [medeverdachte 1] over het gebruik van het nummer [telefoonnummer 1] afgelegd ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee op 14 juli 2020; E09, pagina 203.
3.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en het proces verbaal identificatie gebruiker nummer [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] opgemaakt op 21 oktober 2021 door de opsporingsambtenaren van het CargoHarc team, dossier E3, pagina’s 54 tot en met 58 en het proces-verbaal bevindingen gebruiker nummer [telefoonnummer 2] opgemaakt op 9 oktober 2020 door de opsporingsambtenaar van het CargoHarc team, dossier E3, pagina’s 384 tot en met 392.
4.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en het proces verbaal identificatie gebruiker nummer [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] opgemaakt op 21 oktober 2021 door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam, dossier E3, pagina’s 54 tot en met 58. Het telefoonnummer eindigend op 2967 was gekoppeld aan het imeinummer [IMEI-nummer] , dossier E14, pagina 2110.
5.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en het proces verbaal identificatie gebruiker [telefoonnummer 4] , opgemaakt op 18 november 2020 door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam, dossier E3, pagina’s 66 tot en met 68.
6.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en het proces verbaal identificatie en het proces-verbaal identificatie en stemherkenning nummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] , [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 7] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 7] opgemaakt op 14 april 2021 door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam, dossier E3, pagina’s 374 tot en met 376.
7.Verklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ten overstaan van de rechtbank op 14 maart 2024: “Ik heb de telefoongesprekken die in het dossier staan gevoerd” en het proces-verbaal identificatie en stemherkenning nummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 5] , [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 7] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 7] opgemaakt op 14 april 2021 door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam, dossier E3, pagina’s 374 tot en met 376.
8.Verklaring van [medeverdachte 2] als getuige afgelegd in de zaak van de verdachte ten overstaan van het hof op 19 februari 2025 inhoudende dat hij de gesprekken als gebruiker van [telefoonnummer 8] heeft gevoerd.
9.Bijnaam [bijnaam 1] : een schriftelijk bescheid te weten een tapgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] gevoerd op 8 november 2020 om 13.01 uur, waarin de naam [naam] wordt gekoppeld aan de (bij)naam ‘ [bijnaam 1] ’, dossier E3, pagina’s 88 en 89 (proces-verbaal bijnamen opgemaakt door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 28 april 2024)
10.Verklaring [medeverdachte 2] als getuige afgelegd in de zaak van de verdachte ten overstaan van het hof op 19 februari 2025 inhoudende dat hij de gesprekken met nummers [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 10] heeft gevoerd.
11.Proces-verbaal van identiteit gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 11] , opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee op 13 februari 2020, dossier E3, pagina's 6 en 7.
12.Proces-verbaal van stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 12] , opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 7 mei 2021, dossier E3, pagina's 296 tot en met 299.
13.Proces-verbaal van identiteit gebruiker en stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 13] , opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 14 mei 2021, dossier E3, pagina's 306 tot en met 309.
14.Proces-verbaal van stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 14] , opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 1 december 2020, dossier E3, pagina's 130 tot en met 132.
15.Proces-verbaal van stemvergelijking/stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 15] opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 30 maart 2023, dossier map F, vijfde aanvulling, pagina's 15 tot en met 17.
16.Proces-verbaal van stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 16] , opgemaakt door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 18 november 2020, dossier E3, pagina's 121 tot en met 123.
17.Proces-verbaal van identiteit gebruiker en stemherkenning telefoonnummer [telefoonnummer 17] , opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 5 november 2020, dossier E3, pagina's 381 tot en met 383.
18.Proces-verbaal bevindingen ‘stemherkenning [telefoonnummer 18] / [medeverdachte 3] ’ opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 29 oktober 2020, dossier E3, pagina’s 377 tot en met 380.
19.Proces-verbaal van bevindingen ‘ [medeverdachte 4] gebruik [telefoonnummer 19] ’ opgemaakt door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 17 december 2020, dossier E3, pagina’s 136 tot en met 141.
20.Proces-verbaal van stemherkenning gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 20] opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 12 mei 2021, dossier E3, pagina’s 300 tot en met 305. Bijnaam [bijnaam 3] : een proces-verbaal van bevindingen ‘bijnamen verdachten en andere personen’ opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 28 april 2021, dossier E3, pagina’s 2-5 en 9-11.
21.Een schriftelijk bescheid te weten een niet-ondertekend proces-verbaal historische verkeersgegevens nummer [telefoonnummer 21] opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee op 20 november 2020, dossier E3, pagina’s 69 tot en met 72. Bijnaam [bijnaam 4] : het proces-verbaal bijnamen opgemaakt door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 28 april 2024, dossier E3, pagina’s 96 en 97 en het proces-verbaal van bevindingen bijnamen, opgemaakt door de opsporingsambtenaar van het CargoHarcteam op 27 september 2021, dossier E3, pagina 414.
22.Een schriftelijk bescheid te weten een niet ondertekend proces-verbaal identificatie [medeverdachte 7] als gebruiker van de nummers [telefoonnummer 22] , [telefoonnummer 23] en [telefoonnummer 24] opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 7 mei 2021, dossier E3, pagina’s 219 tot en met 226 en het proces-verbaal identificatie gebruiker [telefoonnummer 24] op 4 en 5 mei 2021, opgemaakt door de opsporingsambtenaren van het CargoHarcteam op 19 mei 2021, dossier E3, pagina’s 291 tot en met 295.