Uitspraak
1.Procesverloop
2.Inhoud van het verzoek
3.Beoordeling
- in de strafzaak ten bedrage van € 3.626,33;
- in deze verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,00.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak en de verzoekschriftprocedure. De rechtbank had het verzoek afgewezen vanwege vermoedens van schuld aan mishandeling en bedreiging, gebaseerd op aangifte, verklaringen en mediation.
De advocaat-generaal steunde dit oordeel, stellende dat het vermoeden van schuld nog steeds bestond en dat het voorwaardelijk beleidssepot voldoende rekening hield met de belangen van appellant. De advocaat van appellant voerde aan dat deze redenering in strijd is met de onschuldpresumptie.
Het hof oordeelt dat uit het dossier niet volgt dat appellant aangever heeft geslagen, maar dat hij met een fiets tegen aangever is aangereden, waarbij sprake is van een verschil in opvatting over opzet. Het hof benadrukt dat de onschuldpresumptie vereist dat de motivering van de beslissing niet mag impliceren dat appellant schuldig is bevonden.
Het enkele vermoeden van schuld is onvoldoende om vergoeding te weigeren. Daarom vernietigt het hof de eerdere beschikking en kent het op gronden van billijkheid een vergoeding toe van in totaal €4.646,33 voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedures.
Uitkomst: Het hof kent op gronden van billijkheid een vergoeding van €4.646,33 toe voor rechtsbijstandkosten.