AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep over vaststelling kinder- en partneralimentatie na wijziging omstandigheden
De vrouw en man zijn in 2004 gehuwd en in 2018 gescheiden. Zij hebben een kind, geboren in 2009, dat sinds januari 2025 volledig bij de vrouw woont. In het echtscheidingsconvenant was afgesproken dat er geen kinderalimentatie en partneralimentatie zou worden betaald. De vrouw verliest haar baan in 2021 door een chronische ziekte en is sindsdien beperkt arbeidsongeschikt.
De rechtbank wees het verzoek van de vrouw tot vaststelling van alimentatie af. De vrouw ging in hoger beroep en stelde dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond van artikel 1:401 lid 1 BWPro, waaronder haar ziekte en gewijzigde zorgregeling. Het hof oordeelt dat de vrouw door haar chronische pijnsyndroom niet meer in staat is een vergelijkbaar inkomen te verdienen en dat de zorgregeling is gewijzigd doordat het kind volledig bij haar verblijft.
Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €729 per maand vanaf 17 mei 2024, €1.140 vanaf 1 februari 2025, en €735 vanaf 1 september 2025, met een indexering tot €769 per maand vanaf 1 januari 2026. De partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.521 bruto per maand vanaf 17 mei 2024. De bestreden beschikking wordt vernietigd en de alimentatieverplichtingen worden aangepast aan de gewijzigde omstandigheden.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man kinderalimentatie en partneralimentatie moet betalen aan de vrouw met ingang van 17 mei 2024 vanwege gewijzigde omstandigheden.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.728/01
zaaknummer rechtbank: C/13/750946 / FA RK 24-3285 (FL/LS)
Beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. F.W. Hoff te Leiden,
en
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. L.W. Castelijns te Amsterdam.
1.De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de vraag of de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) moet betalen.
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 18 april 2025 het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinder- en partneralimentatie afgewezen.
1.3
De vrouw is het daar niet mee eens. Zij wil dat wordt vastgesteld dat de man haar € 1.201,- per maand aan kinderalimentatie en € 1.521,- per maand aan partneralimentatie moet betalen, allebei met ingang van 16 mei 2024.
1.4
Het hof is van oordeel dat de man zowel kinderalimentatie als partneralimentatie moet gaan betalen.
2.De procedure in hoger beroep
2.1
De vrouw is op 11 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De man heeft op 25 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft verder nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 10 november 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de man van 10 november 2025 met bijlagen.
2.4
De minderjarige [minderjarige] heeft via een brief van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel Amsterdam van 8 juli 2025 laten weten wat hij van de zaak vindt. Tijdens de zitting heeft de voorzitter een korte samenvatting van de brief gegeven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
2.6
Na de zitting zijn met toestemming van het hof nog de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 25 november 2025 met bijlagen;
- een reactie van de zijde van de man van 26 november 2025;
- een bericht van de zijde van de man van 26 november 2025 met bijlagen;
- een reactie van de zijde van de vrouw van 26 november 2025.
3.De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2004 gehuwd. Hun huwelijk is op 16 maart 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2009 te [plaats B] (hierna: [minderjarige] ). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de vrouw .
3.2
De ouders hebben afspraken gemaakt over de gevolgen van hun echtscheiding en deze afspraken vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, tevens ouderschapsplan, dat zij op 2 februari 2018 hebben ondertekend (hierna te noemen: het convenant). Het convenant is aan de hierboven genoemde echtscheidingsbeschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
In artikel 1.2 van het convenant zijn de ouders een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] overeengekomen. Zij hebben afgesproken dat [minderjarige] bij de vrouw ingeschreven zal staan (artikel 1.4) en dat de kinderbijslag aan haar toekomt (artikel 1.10). Daarnaast zijn zij in artikel 1.11 overeengekomen dat de kosten die worden gemaakt, buiten de dagelijkse kosten, in onderling overleg bij helfte worden gedeeld en dat er over en weer verder geen kinderalimentatie is verschuldigd. De partneralimentatie is “in overleg en bindend vastgesteld op € 0,-”, zo volgt uit artikel 2 vanPro het convenant.
3.3
Bij beschikking houdende voorlopige voorzieningen van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025 is bepaald - voorlopig totdat in de bodemprocedure hierover nader zal zijn beslist - dat de man € 713,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, met ingang van 1 januari 2025. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van voorlopige partneralimentatie is afgewezen.
4.De omvang van het hoger beroep
4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen kinder- en partneralimentatie afgewezen. De vrouw had verzocht - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018 en het convenant in zoverre - een kinderalimentatie van € 740,- per maand en een partneralimentatie van € 16.590,- (bruto) per maand vast te stellen, beide met ingang van 18 maart 2024, althans zodanige bijdragen vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.
4.2
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018 en het convenant in zoverre - te bepalen dat de man € 1.201,- per maand aan kinderalimentatie en € 1.521,- (bruto) per maand aan partneralimentatie aan haar dient te betalen, beide met ingang van - zoals ter zitting in hoger beroep verklaard - 16 mei 2024, althans zodanige onderhoudsbijdragen vast te stellen als het hof juist acht.
4.3
De man verzoekt het door de vrouw verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5.De motivering van de beslissing
5.1
De vrouw heeft twee grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.
Wijziging van omstandigheden
5.2
Aan de orde is de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze bepaling kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, als de uitspraak nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
5.3
De vrouw stelt dat de in het convenant vastgelegde afspraken over de kinder- en partneralimentatie door een wijziging niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen en voert hiertoe het volgende aan. De vrouw is in 2021 haar baan verloren als gevolg van een chronische ziekte aan haar zenuwstelsel. Door deze ziekte kan zij nog maar tien tot vijftien uur per week werken en niet meer dan twee keer twee uur op een dag. Daardoor is zij niet langer in staat een vergelijkbaar inkomen te verdienen als ten tijde van en voorafgaand aan de echtscheiding. Het is niet te verwachten dat het inkomensverlies voor herstel vatbaar is, terwijl het haar ook niet verweten kan worden.
Een andere wijziging van omstandigheden is dat niet langer sprake is van een gelijke verdeling van de zorg voor [minderjarige] , zoals partijen ten tijde van de echtscheiding zijn overeengekomen. [minderjarige] verblijft sinds januari 2025 volledig bij de vrouw.
5.4
De man voert verweer. Hij betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft volgens hem niet aangetoond dat zij niet in staat is om (in loondienst) te werken en een inkomen te verdienen vergelijkbaar met haar inkomen ten tijde van de echtscheiding. Als al sprake is van een wijziging van omstandigheden, dan is deze wijziging ontstaan door eigen keuzes van de vrouw. De negatieve gevolgen van deze keuzes voor haar inkomenssituatie dienen dan ook voor haar eigen rekening en risico te komen.
Daarnaast stelt de man dat sprake is van een tijdelijke wijziging van de zorgregeling, zodat deze geen herberekening van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Deze wijziging rechtvaardigt in ieder geval geen herberekening van de partneralimentatie, aldus de man ter zitting in hoger beroep.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. De vrouw heeft zich eind 2019 ziek gemeld op haar werk. Zij heeft zich in 2021 beter gemeld. In hetzelfde jaar is het dienstverband van de vrouw geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Zij ontving in 2021/2022 een WW-uitkering en is met behulp van een regeling vanuit de WW in 2022 een eigen bedrijf (eenmanszaak [X] ) begonnen. In de zomer van 2022 zijn haar pijnklachten teruggekeerd en was zij niet of nauwelijks meer in staat om te werken. Uit een brief van fysio- en manueel therapeut [XX] van 3 mei 2024 blijkt dat de vrouw sinds 2019 wisselend in behandeling is geweest vanwege klachten in de vorm van vermoeidheid en terugkerende ontstekingen in nek, schouder en heup. De vrouw is na een doorverwijzing in april 2024 aangemeld bij revalidatiecentrum […] in [plaats A] . In juni 2024 heeft zij daar een intake gehad bij een revalidatiearts en een GZ-psycholoog, waarna zij in juli en augustus 2024 een observatietraject binnen het pijnrevalidatiecentrum heeft doorlopen. Vanwege chronische pijnklachten en daarmee samenhangende vermoeidheidsklachten is het traject voorgezet met fysiotherapie, psychomotore therapie en maatschappelijk werk. Het doel van het revalidatietraject was om te leren omgaan met de pijn en het accepteren en leren omgaan met de beperkingen die hiervan het gevolg zijn. Het traject heeft circa dertien maanden geduurd en is eind mei 2025 positief afgesloten, in die zin dat de vrouw heeft geleerd beter om te gaan met de pijn.
De vrouw is inmiddels sinds februari 2025 een aantal uur per week werkzaam als receptioniste bij een sportschool en sinds september 2025 verricht zij daarnaast voor een opdrachtgever gedurende vijftien uur per week werkzaamheden vanuit haar eenmanszaak.
De vrouw heeft ter nadere onderbouwing van haar medische situatie in relatie tot haar arbeidsgeschiktheid een rapportage overgelegd van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van 24 juni 2025 (hierna: de medische rapportage). De medische rapportage is opgesteld door een verzekeringsarts, mevrouw [naam] . Uit deze rapportage volgt onder andere dat bij de vrouw sprake is van een chronisch pijnsyndroom dat haar hindert bij het bewegen in het dagelijks leven in combinatie met vermoeidheid. Uit de medische rapportage volgt verder dat de vrouw regelmatig rustpauzes nodig heeft en haar activiteiten moet doseren en verdelen over de dag om te kunnen blijven functioneren Zij kan maximaal gedurende twee maal per dag twee uur belastbaar beschouwd worden, en is over een week genomen gemiddeld maximaal gedurende tien tot vijftien uur belastbaar. De kans op volledig herstel van een chronisch pijnsyndroom is beperkt en genezing is niet mogelijk, zo volgt uit de medische rapportage.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de vrouw vanwege chronische pijnklachten en daarmee samenhangende vermoeidheid niet meer in staat is een inkomen te verdienen vergelijkbaar met het inkomen dat zij had ten tijde van en/of voorafgaand aan de echtscheiding. Het hof gaat voorbij aan de bezwaren die de man heeft tegen (de conclusie in) de medische rapportage. Anders dan de man is het hof van oordeel dat voldoende medische gegevens in aanmerking zijn genomen bij het opstellen van de medische rapportage. Niet alleen de brief van de fysiotherapeut is betrokken, maar ook de brieven van […], terwijl ook de verzekeringsarts zelf onderzoek heeft verricht. Zij heeft in de rapportage opgenomen dat sprake is geweest van een “beperkt, gericht lichamelijk onderzoek”. Aangezien dit onderzoek gericht was op een observatie van het functioneren van de vrouw en de vraagstelling zag op de belastbaarheid van de vrouw in het verleden en nu, is het hof van oordeel dat dit als voldoende lichamelijk onderzoek kan worden beschouwd. Gelet op de beperkingen die de vrouw heeft, is ook geen sprake van verwijtbaar en vermijdbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. Evenmin is gebleken dat de vrouw een zodanig vermogen heeft dat van haar verwacht kan worden dat zij daarop inteert. Het hof acht het niet redelijk om van de vrouw te verlangen dat zij haar woning in [plaats A] verkoopt en naar een goedkopere woning verhuist, zodat zij van de overwaarde kan profiteren. De woning van de vrouw in [plaats A] is niet uitzonderlijk groot of duur en de vrouw zal bij verkoop van de woning in [plaats A] een andere woning moeten kopen of huren, hetgeen eveneens hoge kosten met zich mee zou brengen. Bovendien staat de door de man gestelde overwaarde niet vast, gelet op de betwisting door de vrouw. Of zij al dan niet zonder overleg met de man naar [plaats A] is verhuisd, acht het hof in dit kader niet ter zake doende.
5.6
Het hof komt tot de conclusie dat vanwege de beperkte belastbaarheid van de vrouw en het daarmee gepaard gaande inkomensverlies sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BWPro. Dit geldt zowel ten aanzien van de kinder- als de partneralimentatie.
De man heeft in zijn verweerschrift de indertijd in het convenant gemaakte afspraken weergegeven en onder andere opgenomen dat partijen “over en weer hebben ingestemd met de overeengekomen en bindende afspraak dat er € 0,- partneralimentatie vastgesteld wordt”. Voor zover hij daarmee heeft willen betogen dat sprake is van een niet-wijzigingsbeding voor de partneralimentatie, gaat het hof daaraan voorbij. Uit de aangehaalde bewoordingen in het convenant kan niet worden afgeleid dat bij een wijziging van omstandigheden niet alsnog partneralimentatie kan worden verzocht. Feiten en omstandigheden waarom de tekst wel op die manier moet worden uitgelegd, heeft de man niet naar voren gebracht.
Verder is het hof ten aanzien van de kinderalimentatie van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden gelet op de gewijzigde zorgregeling tussen de man en [minderjarige] . Vaststaat dat [minderjarige] sinds januari 2025 volledig bij de vrouw verblijft en, anders dan de man betoogt, is niet, althans onvoldoende gebleken dat het om een tijdelijke situatie gaat. De man heeft ter zitting in hoger beroep bovendien bevestigd dat de zorgregeling is gewijzigd. Het hof zal dan ook overgaan tot het berekenen van de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie.
De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de kinder- en partneralimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit. Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
5.7
De vrouw heeft in haar beroepschrift verzocht de ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op 17 mei 2024, de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij verzoekt zowel de kinder- als de partneralimentatie vast te stellen met ingang van 16 mei 2024. De man heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum. Hij stelt dat als ingangsdatum van de datum van de te wijzen beschikking uitgegaan dient te worden, dan wel dat aansluiting dient te worden gezocht bij de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025.
Het hof zal de ingangsdatum van de door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen op 17 mei 2024, de datum waarop het inleidend verzoekschrift van de vrouw is ingekomen bij de rechtbank. Op dat moment was al sprake van beperkte belastbaarheid en inkomensverlies van de vrouw als gevolg van haar chronische pijnklachten en vermoeidheid. De man kon vanaf voornoemde datum in ieder geval rekening ermee houden dat hij kinderalimentatie zou moeten gaan betalen. Het hof ziet geen aanleiding de ingangsdatum op latere datum te bepalen, zoals de man heeft betoogd. Evenmin ziet het hof aanleiding de ingangsdatum op 16 mei 2024 vast te stellen, zoals de vrouw heeft verzocht. Wel zal het hof bij het berekenen van de kinderalimentatie rekening houden met de omstandigheid dat er tot 1 februari 2025 sprake is geweest van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] (zie hierna onder r.o. 5.15).
Behoefte [minderjarige]
5.8
Ten tijde van de echtscheiding is de behoefte van [minderjarige] niet vastgesteld, zodat het hof dit alsnog zal doen. Daarbij zal het hof uitgaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van uiteengaan van de ouders en op grond daarvan de behoefte vaststellen aan de hand van de zogenaamde Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (hierna: de behoeftetabel).
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2017 hoger was dan het maximale tabelbedrag van € 6.000,- per maand. In dat geval geldt volgens de behoeftetabel van 2017 een behoefte van € 945,- per maand. Omdat de echtscheidingsbeschikking dateert van 2018, zal het hof de behoefte van [minderjarige] met ingang van 1 januari 2019 indexeren. De behoefte van [minderjarige] bedraagt per 1 januari 2024 € 1.139,- per maand en per 1 januari 2025 € 1.213,- per maand.
Draagkracht vrouw
5.9
Uit de overgelegde IB-aangifte van de vrouw over 2024 blijkt dat het inkomen van de vrouw in dat jaar nihil was. Gelet hierop zal het hof uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand over de periode vanaf de ingangsdatum, 17 mei 2024, tot 1 februari 2025.
5.1
De vrouw is sinds 1 februari 2025 in loondienst werkzaam bij [Y] B.V. als receptioniste en vanaf 1 september 2025 verricht zij daarnaast gedurende vijftien uur per week voor een opdrachtgever werkzaamheden vanuit haar eenmanszaak. Het hof zal daarom haar draagkracht berekenen over de periode vanaf 1 februari 2025 tot 1 september 2025 en over de periode vanaf 1 september 2025. Het hof ziet, anders dan de vrouw, geen aanleiding draagkracht- en/of alimentatieberekeningen te maken voor de jaren 2026 en 2027, omdat onvoldoende is onderbouwd dat in deze periodes sprake zal zijn van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de bijdrage opnieuw moet worden vastgesteld.
5.11
Voor de periode vanaf 1 februari 2025 tot 1 september 2025 geldt het volgende. Uit de overgelegde salarisspecificaties van de vrouw over de maanden februari tot en met augustus 2025 blijkt dat haar salaris gemiddeld € 864,- bruto per maand bedroeg, inclusief vakantie-uren en vakantiegeld, waarop premie WGA-verzekering in mindering wordt gebracht. Uit dit inkomen volgt een minimumdraagkracht van € 25,- per maand. De (extra) inkomsten van de vrouw uit haar eenmanszaak over deze periode, zoals gebleken uit de overgelegde factuur van 16 april 2025, leiden niet ertoe dat het hof in deze maand van een hogere draagkracht bij de vrouw zal uitgaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het om een eenmalige klus ging, waarvoor de vrouw een relatief gering bedrag in rekening heeft gebracht.
Het hof zal over de periode vanaf 1 februari 2025 tot 1 september 2025 dan ook eveneens uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand.
5.12
Sinds 1 september 2025 werkt de vrouw nog drie uur per week als receptioniste bij de sportschool. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat haar inkomen bij de sportschool € 444,- bruto per maand bedraagt, te weten het inkomen dat volgt uit haar salarisspecificatie van oktober 2025. Het hof gaat ervan uit dat dit inclusief vakantie-uren en vakantiegeld is en dat hierop nog premie WGA-verzekering in mindering wordt gebracht.
Daarnaast is zij voor vijftien uur per week ingehuurd door [Z] B.V. Zij hanteert een uurtarief van € 99,- per uur, exclusief btw. De vrouw heeft in de door haar overgelegde draagkrachtberekening rekening gehouden met een winst uit onderneming van (15 x € 99 =) € 1.485,- per week. Nu hiertegen op zichzelf geen verweer is gevoerd, zal het hof ook met deze bedragen rekening houden. Wel zal het hof, anders dan de vrouw, uitgaan van 45 werkweken per jaar in plaats van 40 werkweken per jaar. De berekening van de vrouw verder volgend leidt dit tot een winst uit onderneming van (45 x € 1.485 =) € 66.825,- per jaar. Gelet op het aantal gewerkte uren komt de vrouw niet in aanmerking voor zelfstandigenaftrek of startersaftrek.
Op grond van deze gegevens berekent het hof de draagkracht van de vrouw over de periode vanaf 1 september 2025 op € 1.317,- per maand.
De man heeft betoogd dat de vrouw een hoger inkomen kan verwerven wanneer zij (alleen maar) in loondienst werkt. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar de vacatures die hij in eerste aanleg heeft overgelegd. Deze vacatures gaan echter uit van fulltime dienstverbanden of van functies, zoals “remote-online-marketeer” waarbij niet blijkt dat de vrouw, gelet op haar beperkingen, daadwerkelijk meer zal kunnen verdienen dan wanneer zij als zelfstandige werkt. Het hof volgt de man dan ook niet in zijn betoog.
Draagkracht man
5.13
Het hof zal de draagkracht van de man vaststellen aan de hand van de overgelegde jaaropgave 2024, waaruit een fiscaal loon van € 146.672,- blijkt. Hieruit volgt een draagkracht van € 2.522,- per maand in 2024. Niet gesteld of gebleken is dat het inkomen van de man in 2025 een relevante wijziging heeft ondergaan, zodat het hof in 2025 van hetzelfde inkomen zal uitgaan. Dit leidt tot een draagkracht van de man van € 2.511,- per maand in 2025.
Draagkrachtvergelijking
5.14
Uit het bovenstaande volgt dat partijen over de gehele periode vanaf de ingangsdatum samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.
Om vast te kunnen stellen welk deel van de behoefte van [minderjarige] door de man dient te worden gedragen, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. Het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] wordt berekend door zijn aandeel in de totale draagkracht te vermenigvuldigen met de behoefte van [minderjarige] . Hieruit volgt dat het aandeel van de man in de periode vanaf 17 mei 2024 tot 1 februari 2025 ((€ 2.522 / € 2.547) x € 1.139 =) € 1.128,- per maand bedraagt. In de periode van 1 februari 2025 tot 1 september 2025 bedraagt het aandeel van de man ((€ 2.522 / € 2.547) x € 1.213 =) € 1.201,- per maand en in de periode vanaf 1 september 2025 ((€ 2.522 / € 3.828) x € 1.213 =) € 796,- per maand.
Zorgkorting
5.15
Het hof neemt de kosten van de verdeling van de zorg voor [minderjarige] in aanmerking als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Het hof zal over de periode vanaf de ingangsdatum tot 1 februari 2025 uitgaan van een zorgkorting van 35% procent gelet op de zorgregeling die destijds gold. De zorgkorting bedraagt dan (0,35 x € 1.139 =) € 399,- per maand.
Over de periode vanaf 1 februari 2025 houdt het hof rekening met een zorgkorting van 5% vanwege de beperkte omgang tussen [minderjarige] en de man en de verwachting dat dit op korte termijn niet zal veranderen. De zorgkorting bedraagt over die periode (0,05 x € 1.213 =) € 61,- per maand.
Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt de zorgkorting in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] . De door de man te betalen bijdrage over de periode vanaf 17 mei 2024 komt dan uit op (€ 1.128 -/- € 399 =) € 729,- per maand. De bijdrage wordt over de periode van 1 februari 2025 tot 1 september 2025 berekend op € 1.140,- per maand en over de periode vanaf 1 september 2025 op € 735,- per maand.
Conclusie
5.16
Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 729,- per maand met ingang van 17 mei 2024, op € 1.140,- per maand met ingang van 1 februari 2025 en op € 735,- per maand met ingang van 1 september 2025.
Op grond van artikel 1:402a BW geldt de wettelijke indexering over de bijdrage die de man moet betalen per 1 september 2025 pas per 1 januari 2027. Het hof zal daarom ambtshalve de door de man te betalen bedragen met ingang van 1 januari 2026 verhogen gelijk met het percentage dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering wel zou gelden met ingang van 1 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2025:1165). Geïndexeerd per 1 januari 2026 bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie € 769,- per maand. Het hof heeft geen aanleiding gezien partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten nu het aangepaste bedrag binnen de grenzen van de rechtsstrijd tussen van partijen valt.
Partneralimentatie
Ingangsdatum
5.17
Het hof zal de ingangsdatum van de door de man te betalen partneralimentatie eveneens vaststellen op 17 mei 2024 en verwijst in dit kader naar hetgeen hierboven onder r.o. 5.7 is overwogen.
Behoefte vrouw
5.18
Bij de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Overeenkomstig de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen zal het hof de behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen. Volgens de hofnorm bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen minus het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] . Het hof ziet geen aanleiding om van de door de vrouw in eerste aanleg (als productie 18) overgelegde behoeftelijst uit te gaan, aangezien deze lijst enkel de noodzakelijke basiskosten van de vrouw bevat en het dus geen weergave is van de mate van welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd. Deze lijst kan dan ook niet worden gezien als een goede weergave van haar huwelijksgerelateerde behoefte.
5.19
Bij de berekening van de behoefte van de vrouw zal het hof uitgaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2018, het jaar waarin de echtscheiding is uitgesproken. Voor zover de man betoogt dat van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2017 moet worden uitgegaan, had het op zijn weg gelegen om zijn inkomensgegevens uit 2017 te overleggen. Nu hij dit heeft nagelaten, zal van de inkomensgegevens uit 2018 worden uitgegaan.
Uit de overgelegde IB-aangifte van de man over 2018 blijkt dat hij in dat jaar een inkomen had van € 136.098,- bruto. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van € 5.898,- per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw in 2018 € 117.242,- bedroeg. Dit bedrag is ook terug te vinden in de IB-aangifte van de man over 2018. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 5.652,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen bedroeg in 2018 dus € 11.550,- per maand. Op dit bedrag wordt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] van (destijds) € 945,- in mindering gebracht, zodat € 10.605,- resteert. De behoefte van de vrouw bedroeg in 2018 aldus (0.6 x € 10.605 =) € 6.363,- netto per maand. Geïndexeerd is dat € 7.667,- per maand in 2024 en € 8.166,- in 2025.
Behoeftigheid vrouw
5.2
Vervolgens is de vraag in hoeverre de vrouw zelf in die behoefte kan voorzien. Daartoe verwijst het hof naar hetgeen hierboven onder 5.5 reeds is overwogen over het inkomensverlies van de vrouw en haar verdiencapaciteit. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar verdiencapaciteit op dit moment volledig benut. Voor zover de man meent dat ook rekening moet worden gehouden met zorgtoeslag, gaat het hof daaraan voorbij. Bij een zorgtoeslag is sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte bij het bepalen van partneralimentatie (vgl. HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3266).
Uitgaande van de inkomensgegevens van de vrouw, zoals opgenomen onder r.o. 5.9 t/m 5.12 en rekening houdend met de bijdrage van de vrouw in de kosten van [minderjarige] , berekent het hof de bruto aanvullende behoefte van de vrouw vanaf 17 mei 2024 tot 1 februari 2025 op € 11.669,- per maand, vanaf 1 februari 2025 tot 1 september 2025 op € 13.049,- per maand en met ingang van 1 september 2025 op € 7.133,- per maand.
Draagkracht man
5.21
Het hof verwijst naar hetgeen hierboven onder r.o. 5.13 is overwogen ten aanzien van het inkomen van de man en berekent de resterende draagkracht van de man voor partneralimentatie op € 1.640,- bruto per maand vanaf 17 mei 2024 tot 1 februari 2025, op € 1.521,- bruto per maand vanaf 1 februari 2025 tot 1 september 2025 en op € 2.168,- bruto per maand met ingang van 1 september 2025.
Conclusie
5.22
Het hof constateert dat de bruto aanvullende behoefte van de vrouw de resterende draagkracht van de man voor partneralimentatie over de gehele periode vanaf de ingangsdatum overstijgt. Verder constateert het hof dat voor de periode vanaf de ingangsdatum tot 1 februari 2025 en de periode vanaf 1 september 2025 geldt dat de resterende draagkracht van de man hoger is dan de partneralimentatie die de vrouw in hoger beroep heeft verzocht. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, gelet op de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen in hoger beroep, dan ook vaststellen op het verzochte bedrag van € 1.521,- (bruto) per maand, met ingang van 17 mei 2024.
De ingangsdatum van de partneralimentatie ligt voor de datum van deze beschikking. Het hof zal echter niet overgaan tot een ambtshalve indexering, omdat daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd wordt getreden. De vrouw heeft immers niet gevraagd om een hogere partneralimentatie dan € 1.521,- per maand.
5.23
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6.De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, en, opnieuw rechtdoende;
bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] :
met ingang van 17 mei 2024 op € 729,- (zegge: zevenhonderd negenentwintig euro) per maand;
met ingang van 1 februari 2025 op € 1.140,- (zegge: elfhonderd veertig euro) per maand;
met ingang van 1 september 2025 op € 735,- (zegge: zevenhonderd vijfendertig euro) per maand;
met ingang van 1 januari 2026 op € 769,- (zegge: zevenhonderd negenenzestig euro) per maand,
voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2018 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 17 mei 2024 op € 1.521,- (zegge: vijftienhonderd eenentwintig euro) per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.