Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
eerste griefbetoogt [appellante] dat deze feitenvaststelling op onderdelen onvolledig is. Rekening houdend met deze grief en aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Het hoger beroep
6.Beoordeling
grief I in incidenteel hoger beroepkomt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de overeengekomen boetes aan [appellante] verschuldigd is. Volgens [geïntimeerde] ziet de minnelijke regeling enkel op lekkages aan de rechterzijde van de muur en onder de binnentrap. Die lekkages zijn op 6 november 2019 hersteld. De voorwaarden waaronder [geïntimeerde] gehouden zou zijn tot betaling, zijn dus niet in vervulling gegaan, aldus [geïntimeerde] .
grief 3 in principaal hoger beroepen
grieven II tot en met IV in incidenteel hoger beroep.
“De vloer en wanden zijn nagenoeg geheel verzadigd met water.”en:
“Het hemelwater van de balkons en van het platte dak van de kelder worden direct naast de kelderwand geloosd (…) waardoor de kelderwanden fors met water worden belast. (…)”.De oorzaak van de verzadiging met vocht (en dus, naar het hof begrijpt, de lekkages) was de slechte staat van onderhoud van de kelder:
“Gelet op onze bevindingen moet geconcludeerd worden dat de gehele kelder in een slechte staat verkeert.”(zie ook 6.5 hierboven). Ongeacht de leeftijd van een gebouw en de bestemming van een kelder mag een huurder verwachten dat een kelder bestand is tegen regenval. Dat was kennelijk niet het geval. Hiermee staat de gebrekkigheid van de kelder vast.
“Mochten ook per 1 januari 2021 de lekkages nog steeds niet zijn verholpen dan is [appellante] vrij in het nemen van de geëigende (rechts)maatregelen.”Het hof brengt verder in herinnering dat artikel 3 van Pro de minnelijke regeling als volgt luidt:
“Partijen hebben hierbij de kwestie van de herziening van de huurprijs en de consequenties van de hierbij bedoelde lekkages, ook voor het verleden, definitief vastgesteld.”(zie 3.8 hierboven). Deze bepaling ziet nadrukkelijk wel op de herziening van de huurprijs en de consequenties van de lekkages. Kennelijk vond [appellante] de afgesproken bedragen destijds een evenredige compensatie. Artikel 7:209 BW Pro is bovendien niet van toepassing (en artikel 7:207 BW Pro is dus niet van dwingend recht), omdat zich bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2009 nog geen lekkages voordeden. Artikelen 7:207 en 7:209 BW staan dus niet aan het oordeel van het hof in de weg.
“De in de kelder opgeslagen goederen worden aangetast en (…) de kelder [is] al geruime tijd niet bruikbaar voor het doel waarvoor het bestemd is.”
tweede grief in principaal hoger beroepgericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat haar vordering tot herstel van het souterrain moet worden afgewezen omdat [geïntimeerde] toestemming nodig heeft van de VvE. Volgens [appellante] speelt de VvE in de huurrelatie tussen [appellante] en [geïntimeerde] geen rol. De vordering is bovendien dusdanig ruim geformuleerd dat ook het eerst verkrijgen van toestemming van de VvE hieronder valt, aldus [appellante] . [appellante] heeft haar vordering tot herstel van het souterrain in hoger beroep gehandhaafd (zie 5.1 hierboven, vordering sub I, en 4.1 hierboven, vordering sub III).
vierde grief in principaal hoger beroepbetoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet bij zijn oordeel heeft betrokken dat andere vestigingen van haar onderneming niet of minder hard zijn getroffen door de coronacrisis. De omzetcijfers van deze vestiging moeten dus niet in relatie tot die van de andere vestigingen worden beschouwd. Bovendien heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het ontbreken van een accountantsverklaring moet nopen tot afwijzing van de vordering, aldus [appellante] .
grief 5 in principaal hoger beroepheeft [appellante] betoogd dat de kantonrechter ten onrechte de huurprijsindexering niet heeft gematigd. [geïntimeerde] heeft de huur met ingang van januari 2023 geïndexeerd met 12,7%. Sinds de oorlog in Oekraïne is de CPI-index niet langer waarheidsgetrouw. [appellante] wordt door de indexering dubbel getroffen; alle exploitatiekosten stijgen en de huur ook. Dat schiet het doel van de indexeringsclausule voorbij, aldus [appellante] . De oorlog in Oekraïne en daarmee samenhangende inflatie zijn onvoorziene omstandigheden. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich ertegen dat de huurovereenkomst ongewijzigd wordt voortgezet, aldus [appellante] .
Grief V in incidenteel hoger beroep, waarbij [geïntimeerde] heeft betoogd dat de rapportages nodeloos zijn opgesteld en bovendien onjuist zijn, stuit hierop af.
zesde grief in principaal hoger beroepop het standpunt gesteld dat de kosten deskundigenrapporten vermeerderd hadden moeten worden met de wettelijke
handelsrente. Deze grief slaagt evenmin. De wettelijke handelsrente is immers niet toewijsbaar, omdat de verplichting deskundigenkosten te vergoeden niet kan worden aangemerkt als een verplichting die voortvloeit uit een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. Het betreft een schadevergoedingsverbintenis op grond van de wet (artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW).
Grief VI in incidenteel hoger beroepslaagt dus evenmin.