Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De procedure
e-mailbericht naar de verzoeker gestuurd. In deze beslissing is het hoger beroep van de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Gerechtshof Amsterdam
De wrakingskamer van het Gerechtshof Amsterdam behandelde op 3 juli 2026 het wrakingsverzoek van de verzoeker tegen de raadsheren die betrokken waren bij de behandeling van zijn hoger beroep. De hoofdzaak betrof het hoger beroep tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat. De ontvankelijkheid van het hoger beroep was op 18 maart 2026 behandeld, waarna de uitspraak op 2 juni 2026 werd gedaan en per beveiligde e-mail aan de verzoeker werd verzonden.
De verzoeker diende op 1 juni 2026 een akte van ongenoegen in en op 2 juni 2026 een wrakingsverzoek, waarin hij bezwaar maakte tegen de raadsheren. De wrakingskamer stelde vast dat het wrakingsverzoek pas na de einduitspraak was ingediend, waardoor het niet tijdig was volgens vaste rechtspraak. De verzoeker kon daarom niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
De wrakingskamer oordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting de enige wettelijke bron is voor de uitspraakdatum en dat de mededeling van de verzoeker over een andere datum onvoldoende aanknopingspunten bood om het proces-verbaal te betwijfelen. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd achterwege gelaten omdat het verzoek niet ontvankelijk was. De wrakingskamer verklaarde het verzoek dan ook niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de einduitspraak is ingediend.