ECLI:NL:GHAMS:2026:190

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23-002984-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen gewoontewitwassen en onvergund betaaldienstverlenerschap

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, deelneming aan een criminele organisatie en het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. Het onderzoek betrof een omvangrijke criminele organisatie die ondergronds bankieren faciliteerde met grote geldbedragen.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam en sprak verdachte vrij van de primair tenlastegelegde feiten, maar verklaarde het subsidiair tenlastegelegde, de deelneming aan de organisatie en het onvergund betaaldienstverlenerschap bewezen. Het bewijs bestond uit observaties, camerabeelden, bakengegevens, administratie, en telefoongesprekken, waarbij verdachte een leidinggevende rol vervulde.

De verdachte maakte gebruik van een kantoorruimte waar contant geld werd ontvangen en doorgegeven, en gaf opdrachten aan medeverdachten. De geldbedragen betroffen miljoenen euro's, waarvan de herkomst niet werd verklaard. Het hof achtte het bewezen dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren en dat verdachte hiervan op de hoogte was.

De straf werd gematigd tot 48 maanden gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden diverse geldbedragen en telefoons verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. Het hof benadrukte de ernst van witwassen en het ondermijnen van het financieel toezicht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor medeplegen gewoontewitwassen, deelneming aan criminele organisatie en onvergund betaaldienstverlenerschap.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002984-19
datum uitspraak: 26 januari 2026
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-730096-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1962,
adres: [adres 1] .
De strafzaak onder parketnummer 23-002984-19 komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam ‘Fa’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [verdachte] , die hierna wordt aangeduid als ‘de verdachte’ dan wel ‘ [verdachte] ’. De medeverdachten worden hierna (ook) aangeduid als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 en 9 december 2025 en 12 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primair
[bedrijf 1] B.V. en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks de periode van 11 juli 2015 en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben [bedrijf 1] B.V. en/of haar mededader(s) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] (van) een of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 207.000,- (zaak [zaak 2] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 450.420,- (woning [plaats 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 330.800,- (uit Mercedes), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,-, (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800 uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498 (kasboek) en/of
- de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was en/of genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meerdere voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt,
terwijl [bedrijf 1] B.V. en/of haar mededader(s) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
tot welk(e) feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
1.
subsidiair
hij op of omstreeks de periode van 11 juli 2015 en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (van) een of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 207.000,- (zaak [zaak 2] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 450.420,- (woning [plaats 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 330.800,- (uit Mercedes), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,-, (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800 uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498, (kasboek) en/of
- de opbrengsten en/of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot geldbedragen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was en/of genoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden had
en/of
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van een of meerdere voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik gemaakt,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- ( gewoonte)witwassen, althans schuldwitwassen, van een of meerdere geldbedragen, te weten:
van een of meerdere geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verbergen en/of verhullen, althans verbergen en/of verhullen wie de rechthebbende op genoemd(e) geldbedrag(en) was en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden had en/of
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van een of meer geldbedrag(en) uit enig misdrijf afkomstig (artikelen 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht) en/of
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten;
welke deelneming bestaat uit het opdracht geven tot het uitvoeren van geldtransacties, terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol en/of een opdrachtgevende rol heeft vervuld;
3.
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van (een onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (een onbekend gebleven) betaler(s) en/of een of meer (onbekend gebleven) ander(en) een of meerdere (contante) geldtransactie(s) en/of een of meerdere geldtransfer(s) uitgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meerdere van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten:
- een geldbedrag van ongeveer EUR 459.650,- (zaak [zaak 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 207.000,- (zaak [zaak 2] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 450.420,- (woning [plaats 1] ), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 330.800,- (uit Mercedes), althans een geldbedrag en/of
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,- (kantoorpand [adres 2] ) en/of
- een of meerdere geldbedrag(en) met een totale waarde van ongeveer EUR 17.484.180,-, (althans EUR 17.153.380 exclusief het geldbedrag van EUR 330.800,- uit de Mercedes) en/of EUR 17.442.498,- (kasboek).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging en overeenkomstig de beslissing van de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. De onder 1 tenlastegelegde geldbedragen en de opbrengsten of verdiensten van de werkzaamheden als geldkoerier en de onder 2 tenlastegelegde (niet nader genoemde) geldbedragen zijn afkomstig uit enig misdrijf. Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn, maar daaruit blijkt wel dat sprake is van ondergronds bankieren en (daarmee) van een vermoeden van witwassen. Dan mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen worden verwacht. Die verklaring heeft de verdachte niet gegeven. Dat brengt met zich dat kan worden bewezen dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte die geldbedragen heeft witgewassen. Er is sprake van gewoontewitwassen gelet op het grote aantal transacties en de periode waarin deze hebben plaatsgevonden. De geldtransacties vonden voorts plaats binnen een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij [verdachte] de baas, de bankier en de spil van de organisatie was. Hij stuurde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan.
Standpunt van de verdediging
Bewijsuitsluitingsverweer
De verdediging heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de data verkregen uit de bij de verdachte in beslaggenomen telefoons en gegevensdragers niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze telefoons en gegevensdragers zonder toestemming van een rechterlijke autoriteit zijn doorzocht. Dit is een onherstelbaar vormverzuim en de sanctie daarop dient bewijsuitsluiting te zijn.
Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe kanttekeningen geplaatst bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Aangevoerd is onder meer als volgt.
  • Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld van wie het handschrift is van de administratie die is aangetroffen op het kantooradres [adres 2] .
  • Ook wordt de door de rechtbank gemaakte handschriftvergelijking betwist omdat een rechterlijk college daartoe niet de deskundigheid bezit.
  • Tevens kunnen vragen worden opgeworpen bij de conclusie van de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte in de periode na 11 augustus 2015, de dag van de aanhouding van [zaak 1] . Hetgeen daarna door de politie is vastgesteld zou er ook op kunnen wijzen dat de medeverdachte [medeverdachte 1] na die dag zelfstandig is gaan werken.
  • Hier komt bij dat niet duidelijk is waarop het onderzoeksteam de conclusie baseert dat ‘ [bijnaam 1] ’, zoals opgenomen in de administratie aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , kan worden vereenzelvigd met ‘ [bijnaam 1] ’, de bijnaam van de verdachte.
  • Tot slot is naar voren gebracht dat verondersteld leiderschap van een criminele organisatie niet automatisch het daderschap bij concrete delicten impliceert.
De raadsman heeft zich tenslotte ten aanzien van feit 1 ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij het verweer van de raadsvrouw in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] dat per tenlastegelegde transactie moet worden beoordeeld of sprake is van aanvullende omstandigheden die niet ook bij ondergronds bankieren passen waardoor een vermoeden van witwassen ontstaat.
Ten aanzien van het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde is, in navolging van het vorenstaande, aangevoerd dat de bewezenverklaarde periode dient te worden ingekort.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van het onder 1. subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde is het volgende van belang.
Aanleiding van het onderzoek
Op 12 maart 2015 wordt in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek een observatie uitgevoerd op het perceel [adres 3] . Daar wordt gezien dat twee onbekende mannen (NNI en NN2) in een Audi A3 (hierna: de Audi) met Duits kenteken [kenteken 1] aankomen bij de [adres 3] . NNI loopt met een lege [winkel 1] -tas naar de Audi en pakt gevulde plastic zakken met het AH-logo uit de kofferbak die hij in de [winkel 1] -tas stopt. NNI gaat vervolgens met de volle tas de flat aan de [adres 3] in. Uit onderzoek naar het kenteken in de politiesystemen blijkt dat er verschillende registraties zijn op dit kenteken. De bestuurder van de auto is dan steeds [medeverdachte 2] . Uit een van de registraties komt naar voren dat [medeverdachte 2] in november 2014 is gecontroleerd. In de auto was toen ook [medeverdachte 1] aanwezig. Bij een volgende observatie van [adres 3] , op 6 mei 2015, zien observanten dat NNI en NN2 in een Volkswagen Jetta met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Jetta) wegrijden van de [adres 3] en een ontmoeting hebben met inzittenden van een Volkswagen Passat (hierna: de Passat) met kenteken [kenteken 3] . NNI en NN2 blijken later [medeverdachte 2] en zijn broer [medeverdachte 3] te zijn. De Passat is op naam gesteld van [persoon 1] , die in 2008 twee verdachte moneytransfers heeft gedaan naar [persoon 2] . Deze [persoon 2] wordt door de politie gezien als de spil in diverse internationale criminele organisaties voor het invoeren van grondstoffen voor synthetische drugs en de vervaardiging en levering hiervan. In december 2014 is [persoon 3] bestuurder geweest van deze Passat. [persoon 3] op zijn beurt is eerder in Ierland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor het bezit van cocaïne en XTC ter waarde van 150.000,00 Engelse ponden. Hij zou deel uitmaken van een bekende Ierse criminele organisatie. Naar aanleiding van deze observaties en bevindingen is het onderzoek 13FA gestart.
Op grond van de bewijsmiddelen zoals deze in het geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen dit arrest in een nadere aanvulling zullen worden opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Bij diverse observaties is gezien dat de Audi regelmatig geparkeerd staat in de omgeving van de [adres 4] . [verdachte] staat, samen met zijn zoon [medeverdachte 2] en zijn echtgenote [persoon 4] , ingeschreven op het adres [adres 4] . Op 3 juni 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 2] om 12.50 uur bij de [adres 2] in Amsterdam naar binnen gaat. Op 10 juni 2015 gaat hij om 11.38 uur de [adres 2] in.
[bedrijf 1]
Uit onderzoek blijkt dat een bedrijfsunit op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] is verhuurd aan de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ). Deze vennootschap is op 21 mei 2013 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven. [bedrijf 1] heeft als bedrijfsomschrijving “groothandel in textielwaren en schoenen”. [persoon 5] en [medeverdachte 1] zijn bestuurders, waarbij laatstgenoemde ook is ingeschreven als directeur. Tussen 21 mei 2013 en 25 november 2014 was [medeverdachte 2] bevoegd tot € 5.000,00, blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Het bij de Kamer van Koophandel vermelde telefoonnummer eindigend op *[nummer 1] staat op naam van [verdachte] . [bedrijf 1] heeft als bezoekadres [adres 5] , maar huurt per 1 april 2015 kantoorunit [unit] op de [verdieping] verdieping van de [adres 2] , [adres 2] in Amsterdam. In de huurovereenkomst staat dat [medeverdachte 1] contactpersoon is van [bedrijf 1] , met een telefoonnummer eindigend op * [nummer 2] . Aan [bedrijf 1] zijn drie toegangspassen verstrekt. Onderzoek wijst uit dat op 3 juni 2015 om 12.49 uur een van de toegangspassen van [bedrijf 1] is gebruikt, evenals op 10 juni 2015 om 11.33 uur.
Observaties [adres 2]
Op 22 juli 2015 is heimelijk een videocamera geplaatst in de centrale hal van de [verdieping] etage van [adres 2] , gericht op de ingang van unit [unit] , het kantoor van [bedrijf 1] . Uit de beelden blijkt dat de ruimte wordt gebruikt door [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waarbij [verdachte] en [medeverdachte 2] een sleutel van de ruimte hebben en [medeverdachte 1] niet. Uit de beelden blijkt ook dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , al dan niet vergezeld door onbekende personen, regelmatig met gevulde tassen het kantoor in dan wel uit gaan. Het vermoeden van de politie is dat de tassen gevuld zijn met contant geld en dat het kantoor van [bedrijf 1] bedoeld is om geld in ontvangst te nemen en weer door te leveren. Uit de camerabeelden is ook gebleken dat de kantoorruimte aan de [adres 2] sinds eind augustus 2015 kennelijk niet meer als kantoor in gebruik is.
Heimelijke doorzoeking [bedrijf 1] , [adres 2]
Omdat bij herhaling is gezien dat ogenschijnlijk gevulde tassen het kantoor van [bedrijf 1] in- en uitgaan, heeft op 4 augustus 2015 een heimelijke doorzoeking plaatsgevonden in het kantoor. Bij de doorzoeking zijn lege [winkel 2] -tassen, opengescheurde plastic tasjes en drie gebundelde pakketten van 20 euro biljetten aangetroffen. Elk gebundeld pakket bestond uit 5 aparte pakketjes. In totaal bleek het – na vluchtige telling – om € 30.000,00 te gaan. Ook lagen er losse biljetten van € 10,00, € 20,00,
€ 50,00, € 100,00 en € 200,00 in een la. Verder zijn er een kantooragenda met daarin geschreven getallen of bedragen, een geldtelmachine, kladjes met aantekeningen van namen/woorden en getallen of bedragen, een rekenmachine, zwarte plastic tasjes met kleine gouden logo’s (het hof begrijpt: een goudkleurig stippenpatroon) en een kladblok met aantekeningen, namen en bedragen/getallen aangetroffen. Daarnaast waren er twee kilozakken elastiekjes, die identiek waren aan de elastiekjes waarmee de bundels geld waren gebundeld, aanwezig.
Nieuwe locatie, andere werkwijze
[medeverdachte 1] heeft per 1 september 2015 een bedrijfspand aan [adres 6] gehuurd op naam van [bedrijf 1] . Vanaf die datum werkt hij vanuit zijn woonadres aan de [adres 7] . Op 3 september 2015 komt hij bij ‘ [persoon 6] , afrekenmachines en vacuümmachines’ met een pakket naar buiten en neemt dit mee zijn woning in. Bij de doorzoeking van de woning is een geldtelmachine aangetroffen. Ook schaft [medeverdachte 1] , op naam van [bedrijf 1] , een nieuwe leaseauto aan, een Mercedes Benz. Onder de Mercedes wordt een baken geplaatst. Uit de bakengegevens en uit observaties wordt waargenomen dat [medeverdachte 1] veelvuldig naar [plaats 1] op en neer rijdt.
Transacties
€ 459.650,00 (zaak [zaak 1] )
Tijdens de observaties en op de camerabeelden van 11 augustus 2015 is het volgende waargenomen. Om 10.53 uur komt [medeverdachte 2] aan bij het kantoor van [bedrijf 1] aan de [adres 2] (hierna ook: het kantoor). Hij heeft een plastic [winkel 2] -tas bij zich met een vulling van het formaat van een grote schoenendoos. Om 12.00 uur komt [verdachte] met een oudere grijze man aan bij de [adres 2] en zij gaan daar naar binnen. Om 12.12 uur gaat [medeverdachte 2] het kantoor uit en tien minuten later gaat hij het kantoor weer in. Om 13.20 uur gaat hij het kantoor weer uit. Gezien wordt dat [medeverdachte 2] om 13.23 uur de parkeergarage aan de zijde van de [adres 8] uitkomt met een telefoon in zijn handen. Om 13.24 uur stapt hij als passagier in een Citroën Cl (hierna: de Citroën). Om 13.27 uur stopt de Citroën voor de parkeergarage aan de [adres 8] . [medeverdachte 2] opent de deuren van de parkeergarage en de Citroën rijdt naar binnen. Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 2] om 13.30 uur met een persoon bij het kantoor komt. De man heeft niets bij zich. Vijf minuten later verlaten [medeverdachte 2] en deze persoon het kantoor. De man heeft een shoppertas van [winkel 2] bij zich. De tas lijkt zwaar en minstens voor de helft gevuld. Om 13.37 uur komt [medeverdachte 2] terug bij het kantoor en gaat daar naar binnen. Vervolgens wordt geobserveerd dat de eerdergenoemde man om 13.38 uur de parkeergarage in komt lopen met de [winkel 2] -shoppertas. Even later rijdt de Citroën de parkeergarage uit. Vlak na het leveren van de tas aan de hiervoor bedoelde man komt de verdachte het kantoor in en zijn [medeverdachte 2] en de verdachte samen op kantoor. Vervolgens wordt de Citroën onder observatie genomen. Hierbij wordt gezien dat de Citroën richting Buitenveldert rijdt. Op twee momenten parkeert de bestuurder de Citroën en stapt uit en in. Om 14.22 uur wordt de Citroën geparkeerd op de [adres 9] ter hoogte van de [adres 10] . De bestuurder stapt uit. Gezien wordt dat hij de kofferbak van de Citroën opent en hier een grote blauwe shoppertas van het merk [winkel 2] uit pakt. Hij loopt met de tas weg richting Backershagen. De tas is zichtbaar zwaar. Om 14.25 uur wordt de bestuurder van de Citroën aangehouden. De bestuurder bleek te zijn [zaak 1] . In de [winkel 2] -shoppertas zaten onder meer twee zwarte plastic tassen voorzien van een goudkleurig stippenpatroon. In beide tassen zaten diverse bundels met geld. Elke bundel was bijeengebonden met elastiekjes. In de eerste zwarte tas zaten uitsluitend biljetten van € 50,00 (5500 biljetten) met een gezamenlijke waarde van € 275.000,00. In de tweede tas zaten eurobiljetten van diverse coupures (2091 biljetten van € 50.00, 403 biljetten van € 100,00 en 199 biljetten van € 200,00) met een gezamenlijke waarde van € 184.650,00. In totaal is een bedrag van € 459.650,00 aangetroffen in de [winkel 2] tas. Bij [zaak 1] is een BlackBerry telefoon in beslag genomen, waarop encrypted mails staan opgeslagen. Met de rechtbank concludeert het hof dat [medeverdachte 2] de [winkel 2] -tas met het geld aan [zaak 1] heeft overhandigd. Gezien is dat [zaak 1] zonder tas samen met [medeverdachte 2] het kantoor aan de [adres 2] binnengaat. Als hij het kantoor verlaat heeft hij een grote, zware [winkel 2] -shopper bij zich, soortgelijk aan de tas waarin het geld is aangetroffen. [zaak 1] is tot aan zijn aanhouding onder observatie geweest. Niet gebleken is dat de kofferbak van de Citroën geopend is geweest tot vlak voor zijn aanhouding. Uit het vorenstaande volgt dat [medeverdachte 2] het geldbedrag van € 459.650,00 heeft overgedragen aan [zaak 1] . Hij levert de tas vanuit het kantoor van [bedrijf 1] en na de levering is hij samen met [verdachte] in het kantoor. Aldus is ook de verdachte bij deze geld overdracht betrokken.
€ 30.000,00 ( [adres 2] )
Op videobeelden, opgenomen van het kantoor van [bedrijf 1] aan de [adres 2] , is bij herhaling gezien dat de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] deze kantoorruimte gebruiken. Ook is bij herhaling gezien dat ogenschijnlijk gevulde tassen het kantoor in en uit gaan. Bij de heimelijke doorzoeking van het kantoor op 4 augustus 2015 zijn veel lege [winkel 2] -tassen aangetroffen. In een lade van de ladekast lagen bundels met geld. Er lagen drie gebundelde pakketten van 20 euro biljetten. Elk gebundeld pakket bestond uit vijf aparte pakketjes. Na vluchtige telling bleek het te gaan om een totaalbedrag van € 30.000,00. In de lade lagen ook nog losse biljetten van € 10,00, € 20,00, € 50,00, € 100,00 en € 200,00. Ook is een geldtelmachine aangetroffen en een kantooragenda met getallen en bedragen en lagen er kladjes met aantekeningen met namen/woorden en getallen/bedragen. Op een bureau (bureau 2) lagen onder meer een rekenmachine en een zwarte plastic tas met kleine logo’s (het hof begrijpt: een goudkleurig stippenpatroon). In de lade van een ander bureau (bureau 1) lagen twee kilozakken met elastiekjes, identiek aan de elastiekjes waarmee het aangetroffen geld was samengebundeld. In een kast met roldeurtjes werden op de bovenste plank nieuwe zwarte plastic tasjes met logo (het hof begrijpt: een goudkleurig stippenpatroon) aangetroffen. Deze plastic tasjes waren hetzelfde als het plastic tasje dat op bureau 2 was aangetroffen.
€ 100.000,00 (Zaak [zaak 2] )
Op 28 oktober 2015 is uit bakengegevens gebleken dat de [medeverdachte 1] tussen 9.16 uur en 15.41 uur uitpeilde in Duitsland. Uit de bakengegevens is gebleken dat de Mercedes heeft stilgestaan op de locaties [adres 11] en [adres 12] . Op dit laatste adres is [bedrijf 2] gevestigd, een groot confectiecentrum waar [verdachte] en [medeverdachte 2] een bedrijf hebben, genaamd [bedrijf 3] . Bij de politie ontstond het vermoeden dat [medeverdachte 1] als geldkoerier een bezoek heeft gebracht aan Duitsland. De auto is na terugkomst in Nederland onder observatie genomen. Hierbij is gezien dat [medeverdachte 1] aankomt op het adres [adres 13] en uit de kofferbak een wit plastic tasje meeneemt de woning in. Even later komt [medeverdachte 1] met een zwarte plastic tas uit de woning en zet deze op de bijrijdersstoel van een geparkeerde rode BMW. De BMW rijdt weg en wordt onder observatie genomen. De BMW parkeert bij een woning aan de [adres 14] . De bestuurder, die later blijkt te zijn [persoon 7] , komt uit de richting van de BMW lopen met een plastic tas die voldoet aan de omschrijving van de tas die [medeverdachte 1] in de rode BMW heeft gezet, namelijk een zwarte plastic tas. Hij gaat de woning in. Kort hierna komt een Peugeot bestelauto aanrijden. De bestuurder van de Peugeot gaat de woning aan de [adres 14] in. De Peugeot staat op naam van [persoon 8] . Vervolgens wordt gezien dat [persoon 8] en [persoon 7] naar de Peugeot lopen. [persoon 8] plaatst een grote tas in de bagageruimte. [persoon 7] zet een rode shoppertas in de Peugeot. Even later rijdt [persoon 8] met de Peugeot weg en wordt aangehouden. In de Peugeot wordt onder meer een hoeveelheid weed en een tas met PGP’s aangetroffen. Ook wordt bij perceel [adres 14] binnengetreden. In de woning wordt een geldbedrag van in totaal € 207.000,00 aangetroffen; in een gele doos een bedrag van € 107.000,00 en in een zwarte tas met gouden stippen een bedrag van € 100.000,00. Daarbij wordt een zwarte tas met hierin een blauwe vuilniszak met zeven doorzichtige sealbags met in totaal 6,96 kilogram hennep aangetroffen. In de woning zijn ook zeven mobiele telefoons en twee simkaarten aangetroffen. Twee van de telefoons zijn BlackBerry’s. Dit zijn vermoedelijk PGP-telefoons.
€ 330.800,00 (geldbedrag uit de Mercedes)
Op 17 november 2015 houdt een Rotterdamse eenheid van de politie de [adres 15] in Rotterdam onder observatie. Eerder was al gebleken dat de bestuurder van een Mercedes met kenteken [kenteken 4] die week dagelijks in de woning aan de [adres 15] (het hof begrijpt: [adres 15] ) in [plaats 1] was geweest. Verbalisant ziet om 9.57 uur de Mercedes parkeren voor het pand [adres 15] . Hij ziet uit het pand met nummer [adres 15] een man komen, die later [persoon 9] blijkt te zijn. Deze [persoon 9] heeft een rode plastic tas met witte opdruk bij zich, die deels gevuld is. Hij stapt aan de bijrijderskant de Mercedes in. Kort daarop stapt [persoon 9] zonder rode tas de Mercedes uit, waarop de Mercedes wegrijdt. Om 10.00 uur is een observatie gestart. Uit deze observatie en uit bakengegevens is gebleken dat de Mercedes naar Amsterdam rijdt. In de [adres 7] stopt de Mercedes. De bestuurder, [medeverdachte 1] , wordt aangehouden. In de Mercedes is achter de rechter voorstoel een rode plastic tas aangetroffen met daarin een witte plastic tas. Hierin zat een aantal bundels bankbiljetten tot een totaal van € 330.800,00. Het bedrag bestond uit biljetten van € 100,00, € 50,00 en € 20,00. De bundels bestonden op hun beurt uit vijf kleinere bundels met biljetten. [persoon 9] heeft verklaard dat hij op 17 november 2015 een rode plastic tas aan de (bestuurder van de) Mercedes moest geven. [persoon 9] wist dat er geld in de rode plastic tas zat. Hij heeft de man een aantal keren eerder gezien. [persoon 9] herkent [medeverdachte 1] van de foto als de bestuurder van de Mercedes.
€ 17.442.498,00 Kasboek ( [adres 7] )
Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 7] op 17 november 2015 is op de salontafel een schrift aangetroffen met handgeschreven notities en berekeningen. Deze notities en berekeningen zijn aanwijzingen die duiden op een administratie van een ondergrondse bankier waarbij wordt gewerkt met een versluierde administratie. Identificerende gegevens ontbreken immers. De notities bestaan onder andere uit twee kolommen met verschillende data en (bij)namen. De politie vermoedt dat de linker kolom de ontvangen gelden betreft en de rechter kolom de geldleveringen. Het schrift beslaat de periode van 9 september 2015 (op de eerste pagina is 9-9 te lezen) tot en met 16 november 2015 (op de laatste pagina staat 16-11, het schrift lag open op die pagina). Dat links de ingekomen bedragen staan kan worden afgeleid uit het volgende. De namen en bedragen zijn mogelijk gekoppeld aan data. Het betreft onder andere plaatsnamen (Rotterdam, IJsselstein, Den Haag) en mogelijke (bij)namen ( [bijnaam 2] , [bijnaam 3] ). Er is waargenomen dat [medeverdachte 1] naar [plaats 1] is geweest en daar tassen heeft opgehaald. In een aantal gevallen komen de observaties overeen met de notities in het schrift. Op 17 november 2015 heeft [medeverdachte 1] een tas opgehaald in [plaats 1] . Na zijn aanhouding bleek hier een bedrag van € 330.800,00 in te zitten (zie hiervoor). Uit vergelijking van de observaties en bakengegevens met de notities uit het kasboek is gebleken dat de notities in het schrift op onderdelen overeenkomen met de bakengegevens en de observaties.
In vijftien gevallen is tijdens observaties gezien en/of uit bakengegevens gebleken dat de notities in het schrift overeenkomen met bewegingen van de Mercedes en handelingen van [medeverdachte 1] . Het hof acht met het vorenstaande bewezen dat de notities rechts geldleveringen betreffen. Die leveringen geschieden aan diverse personen die regelmatig terugkomen in de notities. Uit een analyse van de geldbedragen blijkt dat in de periode 9 september 2015 tot en met 16 november 2015 in totaal een bedrag van € 17.442.498,00 is afgeleverd.
Betrokkenheid verdachte
Met de raadsman stelt het hof vast dat de verdachte bij de hierboven beschreven feiten [zaak 1] (€ 459.650,00), [zaak 2] (€ 100.000,00), Mercedes (€ 330.800,00), [adres 2] (€ 30.000,00) en kasboek (ruim € 17 miljoen)) niet steeds direct in beeld is geweest. Dit betekent echter niet dat de verdachte bij deze feiten geen strafrechtelijk relevante betrokkenheid heeft gehad. Hiervoor is van belang dat deze feiten naar het oordeel van het hof alle zijn gepleegd vanuit de criminele organisatie waarvan de verdachte als leider deel uitmaakte. Door de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn in de ten laste gelegde periode strafbare feiten gepleegd in een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat als oogmerk had het plegen van die misdrijven, te weten gewoontewitwassen en het bankieren zonder vergunning.
[verdachte] is hierbij de bankier en degene die de organisatie aanstuurt. Dat blijkt uit het navolgende. Hij maakt in de periode dat deze ruimte wordt geobserveerd het meest gebruik van de kantoorruimte van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] (unit [unit] ) en is daar dan soms enkele uren aanwezig, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] steeds kort aanwezig zijn. De verdachte, en zijn zoon [medeverdachte 2] bij afwezigheid van de verdachte, beschikken over de sleutel van de kantoorruimte. [medeverdachte 1] krijgt alleen toegang tot het kantoor als de verdachte of [medeverdachte 2] aanwezig is.
De verdachte is ook degene die de (internationale) contacten onderhoudt, zoals blijkt uit het navolgende. Geconstateerd is, aan de hand van camera-observaties en/of afgeluisterde telefoongesprekken, dat de verdachte contact onderhoudt en ontmoetingen heeft met de volgende personen die zich lijken te bewegen in het (internationale) underground banking of criminele circuit:
- [persoon 10] ( [persoon 10] , F19 in het fotoboek van 13FA, onderzoek 13Volterra). Deze persoon is volgens het onderzoeksteam ambtshalve bij hen bekend en wordt vermoed betrokken te zijn bij witwassen in de vorm van underground banking. Hij heeft onder meer contact met de hierna te noemen [persoon 11] ;
- [persoon 11] , (onderzoek 13Volterra). Deze persoon is bij het onderzoeksteam ambtshalve bekend als iemand die een rol speelt in underground banking en een contact is van [persoon 10] ;
- [persoon 12] ( [persoon 12] , F22 in het fotoboek van 13FA, onderzoek 13Wegslak). Deze persoon werd op 8 december 2015 aangehouden voor witwassen (ondergronds bankieren) en heeft in persoon en telefonisch contact met de verdachte;
- NNman91-003 (een broker uit India, onderzoek 13Wegslak). Deze persoon onderhoudt contacten met de hiervoor genoemde [persoon 12] en ook heeft hij in de periode van 21 augustus 2015 tot en met 19 november 2015 de verdachte zesmaal telefonisch gesproken. Deze gesprekken gaan over geldtransacties binnen underground banking;
- [persoon 13] (F18 in het fotoboek van 13FA, onderzoek 13Alcor). Deze persoon is aangehouden ter zake van het aantreffen in een pand in Amsterdam van onder meer 10.468 gram cocaïne en 2.569 gram hennep. Hij stond ten tijde van zijn aanhouding internationaal gesignaleerd ter overlevering aan Duitsland op verdenking van de handel in verdovende middelen en heeft antecedenten ter zake van de handel in hard drugs.
Verder onderhoudt de verdachte contacten met in ieder geval personen in Engeland, Pakistan en India.
Het hof gaat er bij het vorenstaande van uit dat waar sprake is van een persoon genaamd [bijnaam 1] of [bijnaam 1] of [bijnaam 1] , de verdachte wordt bedoeld. Uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 19 juni 2015 blijkt dat de verdachte een eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijf 4] - met de bedrijfsomschrijving “IM- EN EXPORT VAN EN GROOTHANDEL IN DAMES-, HEREN- EN KINDERKLEDING” - heeft gedreven vanaf 27 september 1994. Op 7 april 1999 is geregistreerd dat de activiteiten zijn gestaakt met ingang van 1 maart 1999. Uit een uitdraai Handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel met betrekking tot deze bedrijfsnaam blijkt dat het met ingang van 11 mei 2010 een besloten vennootschap betreft met de naam [bedrijf 5] B.V., met [medeverdachte 3] – zoon van de verdachte - als enig aandeelhouder.
In een MMA melding van 21 januari 2013 wordt gesproken over de verdachte als eigenaar van een modezaak genaamd [bijnaam 1] . Verder wordt er in een CIE-verbaal van 13 mei 2013, criminele inlichtingen nummer [nummer 3] gesteld dat “ouwe [bijnaam 1] ” (of “ouwe [bijnaam 1] ”) de verdachte betreft
.Het hof acht het aannemelijk dat de benaming “Ouwe [bijnaam 1] of [bijnaam 1] ” wordt gebruikt voor de vader, ter onderscheid van de hem in ieder geval op papier in [bedrijf 4] opgevolgde zoon [medeverdachte 3] . Op grond van het voorgaande gaat het hof er hier en elders in dit arrest van uit dat met “
[bijnaam 1]” of “
[bijnaam 1]” of “
[bijnaam 1]” wordt bedoeld de verdachte.
Dat de verdachte een leidinggevende rol in de criminele organisatie heeft, valt verder af te leiden uit de inhoud van telefoongesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 1] , geldkoerier en katvanger voor de organisatie, met zijn vriendin [persoon 14] voert. Zo zegt [medeverdachte 1] tegen zijn vriendin dat de verdachte (aangeduid als “zijn (
niet [medeverdachte 1] , hof) vader”) allebei de sleutels van het kantoorpand heeft en zegt dat hij alleen maar stress heeft en voor zoveel mensen moet zorgen. Verder zegt [medeverdachte 1] tegen zijn vriendin dat zij maar moet zeggen dat hij bezig is voor [bijnaam 1] .
Ten slotte blijkt de leidinggevende rol van de verdachte uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] salaris ontvangen uit de organisatie, zoals blijkt uit de aantekeningen in de kantooragenda die is aangetroffen bij de heimelijke doorzoeking aan de [adres 2] op 4 augustus 2015. Op 23 juli 2015 stond een aantekening “3.500 – [aantekening] ”. Op een bladzijde gelinieerd papier (ook aangetroffen op de [adres 2] ) staat een balans van 23 juli 2015. Hierop staat “ [aantekening] ”. Dit bedrag wordt afgetrokken van het bedrag dat er boven staat. Op een andere, vergelijkbare balans, staat een bedrag van 1500 met de naam [medeverdachte 1] (de voornaam van [medeverdachte 1] ). Er zijn nog twee aantekeningen waaruit is op te maken dat een bedrag van 1500 is bestemd voor [medeverdachte 1] . Van enige salarisbetaling aan de verdachte blijkt nergens.
Voor zover is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ook na 11 augustus 2015 bij de criminele organisatie betrokken was, wordt ook dit verweer verworpen. In de eerste plaats is hierbij van belang dat de administratie zoals aangetroffen op de [adres 2] qua manier van opstellen en handschrift grote gelijkenis vertoont met de administratie zoals aangetroffen op [adres 6] , zodat deze administratie aan dezelfde personen/organisatie kan worden toegeschreven. Wie van de organisatie de opsteller van deze administratie is, is daarbij van ondergeschikt belang, zodat ook het verweer dat daarop betrekking heeft, wordt verworpen. Ook zijn soortgelijke plastic verpakkingen aangetroffen op zowel de [adres 2] Daarnaast blijkt uit observaties dat de verdachte in ieder geval op 2 en 11 september 2015 bij het kantoor aan de [adres 6] aanwezig is geweest. Ook maakt de verdachte blijkens een afgeluisterd telefoongesprek van 4 september 2015 tussen hem en [medeverdachte 1] nog steeds gebruik van de Volkswagen Jetta die op naam van [bedrijf 1] is gehuurd door [medeverdachte 1] . Tenslotte neemt het hof mee dat door geen van de verdachten, ook niet door [verdachte] zelf, is verklaard dat de rolverdeling na 11 augustus 2015 is gewijzigd en dat [medeverdachte 1] toen zelfstandig is verder gegaan zodat ook daarin geen ondersteuning wordt gevonden voor de suggestie van de verdediging dat dit anders was.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de door de verdediging in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] naar voren gebrachte omstandigheid, dat slechts een deel van de gegevens in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie overeenkomt met de gegevens uit de observaties door verbalisanten en het baken onder de Mercedes, in de weg staat aan een bewezenverklaring van het gehele bedrag van ruim € 17 miljoen, verwerpt het hof ook dit verweer. Het hof betrekt daarbij dat:
  • een in de administratie genoemde plaatsnaam (ook) verband kan houden met een persoon in plaats van een locatie, bijvoorbeeld de naam ‘ [naam] ’ die in verband kan worden gebracht met een persoon uit [plaats 2] met wie [medeverdachte 1] in Amsterdam contact had,
  • in de administratie niet bij ieder geldbedrag een plaatsnaam wordt genoemd,
  • [medeverdachte 1] in de periode van 9 september 2015 tot en met 16 november 2015 niet voortdurend is geobserveerd, en
  • in ieder geval op 24 september 2015 geen bakengegevens beschikbaar waren.
(Gewoonte)witwassen (feiten 1 en 2): uit enig misdrijf afkomstig
Het hof is van oordeel dat tevens kan worden bewezen dat de onder 1 tenlastegelegde geldbedragen van € 459.650,00, € 100.000,00 (van € 207.000,00), € 330.800,00, € 30.000,00, € 17.442.498,00 - en daarmee de onder 2 bedoelde geldbedragen - afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier blijkt niet uit welk misdrijf of uit welke misdrijven de geldbedragen afkomstig zijn. Daaruit blijkt wel van een vermoeden van witwassen. Dat volgt uit de volgende feiten en omstandigheden:
  • de geldbedragen die zijn aangetroffen bij [medeverdachte 1] , [zaak 1] en [persoon 7] en in het kantoor van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] en de geldbedragen die zijn opgenomen in de administratie die is aangetroffen in dat kantoor en in de woning van [medeverdachte 1] zijn hoge contante bedragen van enkele tienduizenden tot honderdduizenden euro’s,
  • bij de overdracht, het vervoer of de bewaring van geldbedragen van de hoogte als die zijn aangetroffen bij [medeverdachte 1] , [zaak 1] en [persoon 7] , in het kantoor van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] en de in de administraties opgenomen transacties, mag worden verwacht dat daarbij voor een deugdelijke beveiliging wordt gezorgd. Hiervan is niet gebleken,
  • de administratie die is aangetroffen in het kantoor van [bedrijf 1] B.V. aan de [adres 2] en in de woning van [medeverdachte 1] is zeer beperkt en daaruit blijkt voor een buitenstaander niet of nauwelijks van wie de daarin opgenomen geldbedragen afkomstig zijn of voor wie deze zijn bestemd,
  • de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten voor onder meer de huur van kantoorruimte en de lease van auto’s gebruik van de besloten vennootschap [bedrijf 1] , waarvan de in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermelde bedrijfsactiviteiten en bestuurders niet overeenkwamen met de werkelijkheid,
  • de bij [medeverdachte 1] aangetroffen biljetten van € 5,00, het door [medeverdachte 1] en zijn toenmalige vriendin op 5 oktober 2015 gevoerde telefoongesprek over een biljet van € 5,00 en de in de slaapkamer van [medeverdachte 2] aangetroffen notitie wijzen op het gebruik van tokens, waarmee geldbedragen anoniem kunnen worden overgedragen, hetgeen het vermoeden versterkt dat het gaat om geld afkomstig uit misdrijf,
  • de geldbedragen die zijn aangetroffen bij [medeverdachte 1] , [zaak 1] en [persoon 7] en in het kantoor van [bedrijf 1] B.V. waren gebundeld op een wijze die gebruikelijk is in het criminele circuit, namelijk in stapels van 100 biljetten van een gelijk bedrag met elastiekjes om iedere stapel en vervolgens in bundels van een aantal stapels met elastiekjes om iedere bundel,
  • de verdachte en [medeverdachte 1] maakten gebruik van PGP-telefoons, waarvan de communicatie destijds niet door de politie kon worden ontsleuteld,
  • de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maakten gebruik van twee (lease)auto’s met een ingebouwde verborgen ruimte (een Mercedes met kenteken [kenteken 4] en een Volkswagen met kenteken [kenteken 2] ), en
  • de door de politie inbeslaggenomen contante geldbedragen zijn tot nu toe niet door enig vermeend rechthebbende opgeëist.
Deze feiten en omstandigheden brengen met zich dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de geldbedragen. Dat heeft hij niet gedaan. De verdachte heeft bij de politie geen inhoudelijke verklaring afgelegd en is niet verschenen op de terechtzittingen bij de rechtbank en het hof.
Voor zover de verdediging zich heeft aangesloten bij het verweer van de verdediging in de zaak van [medeverdachte 1] dat altijd per geldbedrag moet worden beoordeeld of het afkomstig is uit misdrijf oordeelt het hof dat dit vereiste niet volgt uit de in de zaak [medeverdachte 1] genoemde uitspraak van dit hof van 5 juli 2018 (
ECLI:NL:GHAMS:2018:4065). De werkwijze van de verdachte en de medeverdacht(en) met betrekking tot de ten laste gelegde bedragen vertoont in het onderhavige geval sterke overeenkomsten en gelet daarop is de hiervoor opgenomen motivering op alle bedragen van toepassing.
Bij de hiervoor weergegeven stand van zaken is het hof van oordeel dat de conclusie is gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte en – voor zover het hen aangaat - de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dit wisten.
Gelet op de omvang en de frequentie van de geldtransacties komt het hof tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen.
Het hof komt tot bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde bankieren zonder vergunning. Zowel de verdachte als zijn medeverdachten beschikten op geen enkel moment in de ten laste gelegde periode over een vergunning voor het verlenen van betaaldiensten.
Nu het hof de data verkregen uit het onderzoek van de bij de verdachte in beslaggenomen telefoons en gegevensdragers niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het bewijsuitsluitingsverweer dat hierop betrekking heeft geen bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij in de periode van 11 juli 2015 en met 17 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) geldbedragen, te weten:
- een geldbedrag van EUR 459.650,00 (zaak [zaak 1] ),
- een geldbedrag van EUR 100.000,00 (zaak [zaak 2] ),
- een geldbedrag van EUR 330.800,00 (uit Mercedes),
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,00 (kantoorpand [adres 2] ) en
- geldbedragen met een totale waarde van EUR 17.442.498,00 (kasboek)
verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
2.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- gewoontewitwassen, van geldbedragen, te weten:
het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen van geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig en
- het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het financieel toezicht jo artikel 1 sub Pro 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten
welke deelneming bestaat uit het opdracht geven tot het uitvoeren van geldtransacties, terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol en/of een opdrachtgevende rol heeft vervuld;
3.
hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend, als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht,
immers hebben hij en zijn mededader(s) ten behoeve van of op verzoek van onbekend gebleven begunstigden en/of onbekend gebleven betalers contante geldtransacties uitgevoerd of voor een of meer van de voornoemde begunstigden of betalers gehouden, te weten:
- een geldbedrag van EUR 459.650,00 (zaak [zaak 1] ),
- een geldbedrag van EUR 100.000,00 (zaak [zaak 2] ),
- een geldbedrag van EUR 330.800,00 (uit Mercedes), en
- een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,00 (kantoorpand [adres 2] ), en
- geldbedragen met een totale waarde EUR 17.442.498,00 (kasboek).
Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 50 maanden.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met een vaststellingsovereenkomst tussen de verdachte en de Belastingdienst voor een bedrag van ongeveer 1,2 miljoen euro, nog door de verdachte aan de Belastingdienst te betalen. Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste als tweede aanleg.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door ondergronds te bankieren met geld van criminele herkomst. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit begunstigd en in stand gehouden. Criminelen worden in staat gesteld met hun illegaal verdiende geld legale bezittingen te verwerven en het witwassen van crimineel vermogen draagt er aan bij dat criminele organisaties kunnen blijven voortbestaan en misdrijven kunnen blijven plegen. Witwassen tast bovendien de integriteit van het formele, aan regels gebonden financieel-economische verkeer aan en vormt een bedreiging voor het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit daarvan behoort te kunnen stellen.
Daarnaast heeft de verdachte zich onttrokken aan het toezicht dat op zogenoemde betaaldienstverleners wordt uitgeoefend en heeft anderen ondersteund die op deze wijze hun criminele handel konden uitvoeren en financieren. De verdachte heeft leiding gegeven aan een criminele organisatie die dit alles ten doel had. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof rekening met de bewezenverklaringen en op te leggen straffen in de zaken van de medeverdachten. Er is namelijk sprake van verschillende rollen die de verdachten hebben vervuld en die aanleiding zijn hun zaken wat de op te leggen straf betreft verschillend te beoordelen. De verdachte was de facilitator, de bankier en de spil van de organisatie. Hij heeft anderen opdracht gegeven tot het uitvoeren van transacties met uit misdrijf afkomstige geldbedragen en heeft getracht zelf hierbij zoveel mogelijk uit beeld te blijven.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof ook gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht op het gebied van fraude en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden passend en geboden.
Anders dan de raadsman van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met een vaststellingsovereenkomst tussen de verdachte en de Belastingdienst. De stelling dat deze overeenkomst een ‘sanctiekarakter’ zou hebben, is daarvoor onvoldoende. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte in deze strafzaak niet wordt veroordeeld voor het overtreden van fiscale regels.
Het hof stelt vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 17 november 2015, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 25 juli 2019 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en acht maanden. Op 6 augustus 2019 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 januari 2026 einduitspraak. Dat tijdsverloop valt niet aan de verdediging toe te rekenen. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer vier jaar en vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Daarom wordt aan de verdachte een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. een geldbedrag van € 2.020,00;
2. een kentekenbewijs van de Porsche Cayenne, kenteken [kenteken 5] ;
3. een geldbedrag van € 3.200,00;
4. Een simkaart van T-mobile;
5. een Nokia zaktelefoon (5085866);
6. een BlackBerry zaktelefoon (5085870);
7. een Nokia zaktelefoon (5085879);
8. een Wynncom zaktelefoon (5085881);
9. een Samsung zaktelefoon (5085884);
10. een Samsung zaktelefoon (5085882);
11. een geldbedrag van € 1.930,00;
12. een BlackBerry zaktelefoon (5085899);
13. 10 zaktelefoons BlackBerry Curve (5085810, 5085811, 5085788, 5085789, 5085790, 5085792, 5085805, 5085806, 5085807, 5085808);
14. een rood schrift;
15. een automaat, pro pro 57 (5093480).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de geldbedragen dienen te worden verbeurd verklaard. De PGP-telefoons dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Dit geldt ook voor de twee simkaarten. De twee Samsung zaktelefoons kunnen terug naar de verdachte.
De raadsman van de verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
Verbeurdverklaring
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen behoren aan de verdachte toe en zijn geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 subsidiair, 2, 3 bewezenverklaarde verkregen. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.
Onttrekking aan het verkeer
De overige voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer, met uitzondering van het kentekenbewijs dat zal worden teruggegeven aan de verdachte. Deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en zij zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
48 (achtenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 2020,00;
- een geldbedrag van € 3200,00;
- een geldbedrag van € 1930,00.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een simkaart van T-mobile;
- een Nokia zaktelefoon (5085866);
- een BlackBerry zaktelefoon (5085870);
- een Nokia zaktelefoon (5085879);
- een Wynncom zaktelefoon (5085881);
- een Samsung zaktelefoon (5085884);
- een Samsung zaktelefoon (5085882);
- een BlackBerry zaktelefoon (5085899);
- 10 zaktelefoons BlackBerry Curve (5085810, 508581 1, 5085788, 5085789, 5085790, 5085792, 5085805, 5085806, 5085807, 5085808);
- een rood schrift;
- een automaat, pro pro 57 (5093480).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een kentekenbewijs van de Porsche Cayenne, kenteken [kenteken 5] .
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.L. Bruinsma en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
26 januari 2026.
=========================================================================
[…]