ECLI:NL:GHAMS:2026:1876

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23-000921-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36f SvArt. 421 SvArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging taakstraf en ambtshalve schadevergoedingsmaatregel voor mishandeling met immateriële schade

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 9 juli 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter van 19 april 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen de opgelegde taakstraf van 60 uur.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, maar vond dat deze schending voldoende was gecompenseerd door de vaststelling van de inbreuk op artikel 6 EVRM Pro. De taakstraf van 60 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk, werd bevestigd.

Het slachtoffer had zich in eerste aanleg niet in het geding gevoegd met een schadevordering. In hoger beroep werd een ambtshalve schadevergoedingsmaatregel overwogen en opgelegd wegens immateriële schade van €750, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal en jurisprudentie. Het hof vond dit passend gezien de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer en de psychische impact van de mishandeling.

De wettelijke rente wordt vanaf 24 oktober 2021 berekend. De duur van gijzeling bij niet-betaling is vastgesteld op maximaal zeven dagen. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter met deze aanvulling.

Uitkomst: Het hof bevestigt de taakstraf van 60 uur en legt ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel van €750 op ten behoeve van het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000921-24
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 april 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-344720-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsvrouw en de advocaat van het slachtoffer naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vonnis waarvan beroep

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de verdachte bepleit. De behandeling in hoger beroep heeft het hof echter niet gebracht tot een ander oordeel over de bewezenverklaring en ook niet tot andere overwegingen dan de politierechter.
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep constateert;
- ambtshalve aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel oplegt ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] ;
- artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toegepaste wetsartikelen;
- de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen zal uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld in een op te maken aanvulling op dit arrest.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 19 april 2024 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 9 juli 2026 arrest en de redelijke termijn is daarom
met 3 maanden overschreden. Het hof bevestigt de in eerste aanleg opgelegde taakstraf van 60 uur. De
opgelegde taakstraf is minder dan 100 uren en gelet op het arrest HR 17juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, is er daarom voor compensatie in de straf geen aanleiding. De
geconstateerde verdragsschending is in dit geval voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling
dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Het slachtoffer heeft zich in eerste aanleg in het strafproces niet gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De advocaat van het slachtoffer heeft in hoger beroep per e-mail (met bijlagen) van 21 juni 2026 verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 2.500,00 wegens geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gevorderd deze schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht het verzoek tot ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe in hoger beroep onbevoegd. De strafrechter kan echter, ook als een benadeelde partij geen vordering heeft ingediend, een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f, eerste lid, Sv opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer is toegebracht. Zij heeft immers door de bewezen verklaarde mishandeling lichamelijk letsel opgelopen. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Als wettelijke grondslag voor vergoeding van immateriële schade geldt hier dat sprake is van lichamelijk letsel, zoals opgenomen in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Vervolgens ligt de vraag voor of tot ambtshalve oplegging van een schadevergoedingsmaatregel moet worden overgegaan, nu het slachtoffer zich in eerste aanleg niet in het geding heeft gevoegd. Het hof is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak passend is.
De advocaat van het slachtoffer heeft toegelicht dat het slachtoffer in eerste aanleg geen vordering heeft ingediend omdat het slachtoffer destijds onvoldoende ervan op de hoogte was dat dit tot de mogelijkheden behoorde. De advocaat heeft gewezen op de – ook in het dossier zichtbare – bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer, die net als de verdachte de instelling begeleid wonen moest verlaten nadat de verdachte haar had mishandeld. De advocaat heeft ook toegelicht wat de psychische impact is van wat het slachtoffer is overkomen, in aanvulling op het lichamelijk letsel. Het hof acht het in dit geval passend om de strafoplegging aan te vullen met ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro’ (rechtspraak.nl). Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien – tegen de achtergrond van HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 – de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van het slachtoffer naar billijkheid vast op € 750,00.
Het hof zal daarom ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beslist ten aanzien van het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van [benadeelde partij] als volgt:
Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 oktober 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.
=========================================================================
[…]
.