ECLI:NL:GHAMS:2026:1705

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.344.381/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 2l WTCBOArt. 2p WTCBOArt. 16 Richtlijn 2014/26/EUArt. 21 Richtlijn 2014/26/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzagerecht licentieovereenkomsten en tarieven Buma/Stemra voor SVOD-aanbieders

Disney verzoekt op grond van art. 843a Rv inzage in licentieovereenkomsten en tariefgegevens die Buma/Stemra met andere SVOD-aanbieders heeft gesloten. In een eerdere tussenbeschikking werd dit verzoek voor een klein deel toegewezen, waarbij alleen inzage in criteria en redenen voor kortingen werd toegestaan, niet in concrete tarieven of namen van andere aanbieders.

Buma/Stemra verzochten terug te komen op deze bindende beslissingen, maar het hof wijst dit af. Het hof benadrukt het onderscheid tussen de transparantieverplichting uit art. 2l WTCBO en de openbaarmakingsverplichting uit art. 2p WTCBO, en bevestigt dat Disney voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat naast de bekende criteria ook andere factoren een rol spelen bij tariefbepaling.

Het hof bepaalt dat Buma/Stemra een zwartgemaakt uittreksel van de relevante gegevens moeten verstrekken, zonder identificerende informatie, en dat een onzijdige, geheimhoudingplichtige persoon deze gegevens zal controleren. De termijn voor inzage is drie maanden na betekening van de eindbeschikking. Cassatieverzoek wordt niet toegestaan en de beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad. Verdere beslissingen worden aangehouden en partijen kunnen zich nader uitlaten over het aantal SVOD-aanbieders en de onzijdige persoon.

Uitkomst: Het hof bepaalt de wijze van beperkte inzage door Disney in tariefgegevens van Buma/Stemra en houdt verdere beslissingen aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.344.381/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/733040 HA RK 23-141
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
inzake
THE WALT DISNEY COMPANY (BENELUX) B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat mr. S.C. van Loon te Amsterdam,
tegen

1.VERENIGING BUMA,

2.
STICHTING STEMRA,
beide gevestigd te Amstelveen,
geïntimeerden,
advocaat: mr. A.M. van Aerde te Amsterdam,
belanghebbenden:
de rechtspersonen naar buitenlands recht
NETFLIX INC.,
gevestigd te Los Gatos, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat: mr. Chr.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam,
APPLE DISTRIBUTION INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd te Cork, Ierland,
advocaat: mr. A.P. Groen te Amsterdam
Partijen worden hierna aangeduid als Disney, (geïntimeerden tezamen) Buma/Stemra, Apple en Netflix. Disney, Buma/Stemra, Apple en Netflix worden hierna gezamenlijk partijen genoemd

1.De zaak in het kort

Disney verzoekt op grond van art. 843a (oud) Rv inzage in de licentieovereenkomsten die Buma/Stemra met andere ‘
subscription video on demand’(SVOD) aanbieders heeft gesloten en in andere gegevens met betrekking tot de tarieven die Buma/Stemra met andere SVOD-aanbieders overeengekomen is.
In een tussenbeschikking is geoordeeld dat het verzoek van Disney voor een klein deel toewijsbaar is en is een mondelinge behandeling bepaald om de wijze waarop aan Disney inzage zal worden verleend met partijen te bespreken.
Dit is opnieuw een tussenbeschikking. Het hof komt niet terug van de bindende eindbeslissingen in de eerste tussenbeschikking en neemt een aantal beslissingen over de wijze van inzage. Partijen moeten zich over twee onderwerpen nader uitlaten.

2.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 14 oktober 2025 is een tussenbeschikking (hierna: de eerste tussenbeschikking) gewezen waarin het procesverloop tot aan die beschikking is vermeld. In de eerste tussenbeschikking is een mondelinge behandeling gelast met het doel de opvattingen van partijen over de wijze van inzageverlening te vernemen en deze met hen te bespreken voordat het hof de wijze van inzage, afschrift of uittreksel bepaalt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de zitting per brief hun opvattingen daarover kenbaar te maken. Alle partijen hebben gebruik gemaakt van deze geboden gelegenheid, Disney per brief van 12 november 2025, Buma/Stemra bij brief van 15 november 2025, Netflix en Apple bij op 14 november 2025 (per e-mail) ingekomen brieven. Disney heeft met een e-mailbericht van 20 november 2025 gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om te reageren op de verzoeken van Buma/Stemra om terug te komen van bindende eindbeslissingen in de eerste tussenbeschikking.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 20 november 2025 aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunt over de wijze van inzage laten toelichten door hun advocaten en door mr. J. Slöetjes (Disney) en mr. D.N.D. Guerrero Obando (Netflix), beiden advocaat te Amsterdam.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen afgesproken dat zij, ter voorkoming van executiegeschillen, zouden trachten om tot afspraken te komen over de wijze waarop Buma/Stemra aan Disney de in de eerste tussenbeschikking omschreven (zeer beperkte) inzage zouden verlenen, welke afspraak vervolgens door het hof zou worden overgenomen in de beschikking. Partijen zijn niet tot dergelijke afspraken gekomen.
Ten slotte is uitspraak bepaald.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Disney verzoekt in deze zaak om inzage, afschrift en/of uittreksel van de tarieven die Buma/Stemra hanteert voor het gebruik van muziek op SVOD-diensten (‘
subscription video on demanddiensten’) in Nederland. In de tussenbeschikking is geoordeeld dat Disney’s primaire vordering onder b) voor een klein deel toewijsbaar is. Deze vordering ziet op “
elk document (inclusief, maar niet beperkt tot overeenkomsten en correspondentie) dat Buma/Stemra onder zich heeft waarin criteria en/of kortingen en/of afslagen en/of aftrekposten zijn vermeld die Buma/Sterma hanteert bij het bepalen van het tarief dat zij aan een SVOD-aanbieder in rekening brengt voor het gebruik van muziekauteursrechten;”
In de eerste tussenbeschikking is geoordeeld dat Disney alleen rechtmatig belang heeft bij kennisname van de in deze bescheiden vermelde a) criteria, factoren en omstandigheden die Buma/Stemra hebben gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van de tarieven die zij heeft aangeboden aan andere SVOD-aanbieders, met inbegrip van eventuele aangepaste aanbiedingen en b) redenen waarom eventuele kortingen, afslagen en/of aftrekposten zijn aangeboden (hierna tezamen: de Gegevens).
3.2.
In de eerste tussenbeschikking is geoordeeld dat de vorderingen van Disney verder niet toewijsbaar zijn. Disney heeft geen rechtmatig belang bij kennisname van de daadwerkelijk(e) (percentages of bedragen van de) aangeboden kortingen, afslagen en/of aftrekposten, de volledige inhoud van de licentieovereenkomsten en de andere door Disney gevraagde gegevens zoals de namen en andere gegevens van de desbetreffende SVOD-aanbieders, de concrete toepassing van de criteria, kortingen, afslagen en aftrekposten en de concrete tarieven die Buma/Stemra aan andere SVOB-aanbieders hebben aangeboden en met hen is overeengekomen. Zij heeft ook geen althans onvoldoende rechtmatig belang bij kennisname van de berekening van de tarieven van andere SVOD-aanbieders, de opgaves van het muziekgebruik en de percentages afgekochte rechten van andere SVOD-aanbieders.
Het hof komt niet terug van de bindende eindbeslissingen in de eerste tussenbeschikking
3.3.1.
Buma/Stemra verzoeken het hof terug te komen van bindende eindbeslissingen in de eerste tussenbeschikking.
3.3.2.
De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
3.3.3.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 juni 2025 (Sena/VCR, ECLI:NL:RVS:2025:2618) stellen Buma/Stemra dat de eerste tussenbeschikking berust op een onjuiste juridische grondslag. Het hof volgt Buma/Stemra hierin niet. De uitspraak van de Afdeling gaat over de in art. 2p lid 1 aanhef en onder c WTCBO (en art. 21 van Pro de Richtlijn 2014/26/EU (de Richtlijn)) geregelde verplichting van een collectieve beheersorganisatie (cbo) om door publicatie op een website standaard licentieovereenkomsten en de normaal toepasselijke tarieven, inclusief kortingen, openbaar te maken. De onderhavige zaak gaat over de vraag of Buma/Stemra op grond van art. 843a Rv gehouden is inzage te geven in de door Disney genoemde bescheiden. De relevante rechtsbetrekking bestaat uit het door Disney, gemeten naar de maatstaf van HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, voldoende aannemelijk gemaakte schenden van de in art. 2l WTCBO (en art. 16 van Pro de Richtlijn) vervatte transparantieverplichting. Dat is een andere verplichting dan de in art. 2p WTCBO (en art. 21 van Pro de Richtlijn) bedoelde openbaarmakingsverplichting.
3.3.4.
Het hof onderschrijft niet het betoog van Buma/Stemra dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de in de eerste tussenbeschikking gemaakte gevolgtrekking over schending van de in art. 2l WTCBO (en art. 16 van Pro de Richtlijn) vervatte transparantieverplichting. Het hof merkt daarbij op dat het gaat om de vraag of deze schending, gemeten naar de maatstaf van HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, voldoende aannemelijk is gemaakt. In de eerste tussenbeschikking is overwogen dat Buma/Stemra aanvoeren dat zij de twee criteria die zij hanteren bij licentieverlening aan SVOB-aanbieders hebben genoemd – te weten: (i) het uitgangspunt van 100=10, waarbij geldt dat 100% muziekgebruik = een tarief van 10% van de omzet, en het te betalen percentage wordt bepaald door het daadwerkelijke muziekgebruik, en (ii) het percentage repertoire waarvoor de mechanische rechten afgekocht zijn – maar dat uit de overgelegde correspondentie tussen Buma/Stemra en Disney volgt dat Buma/Stemra ook andere factoren en omstandigheden heeft verdisconteerd in het aan Disney aangeboden tarief (nieuwe dienst, overeenkomst met een experimenteel karakter, coulance en ‘rekening houdend met de internationale dynamiek’). Disney heeft verder gewezen op de verklaring bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg van de General Counsel van Buma/Stemra, dat een “mix” van factoren een rol speelt bij de bepaling van de te betalen vergoeding en de vaststelling van de rechtbank dat het tarief ‘mede afhankelijk is van diverse omstandigheden die per aanbieder kunnen verschillen’, waaronder het revenumodel van de SVOD-aanbieder. In wat Buma/Stemra verder naar voren brengen ziet het hof ook geen aanleiding om terug te komen van de bindende eindbeslissingen in de eerste tussenbeschikking.
3.3.5.
Voor zover nodig verduidelijkt het hof dat het niet de bedoeling is dat Disney ervan op de hoogte raakt welke Gegevens per concrete SVOD-aanbieder een rol hebben gespeeld en al helemaal niet welke tarieven, kortingen of afslagen Buma/Stemra met andere SVOD-aanbieders is overeengekomen. Nu echter, gemeten naar de maatstaf van HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, op basis van de gang van zaken bij de bepaling van het tarief voor Disney+ voldoende aannemelijk is geacht, dat naast de twee door Buma/Stemra genoemde criteria ook andere factoren en omstandigheden een rol kunnen spelen in de onderhandelingen over de tarieven, dienen Buma/Stemra de Gegevens te verstrekken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat art. 2l WTCBO (en art. 16 van Pro de Richtlijn) bepaalt dat cbo’s en gebruikers in goed vertrouwen onderhandelingen voeren over de licentieverlening voor rechten en elkaar alle noodzakelijke informatie verschaffen teneinde te komen tot tarieven die objectief en niet-discriminerend zijn. Cbo’s stellen gebruikers bovendien in kennis van de criteria die voor het bepalen van de tarieven zijn gebruikt. Deze bilaterale informatieverplichting moet worden onderscheiden van de in art. 2p WTCBO neergelegde algemene openbaarmakingsverplichting op basis waarvan onder meer de standaardtarieven, zoals vervat in de tariefkaarten openbaar moet worden gemaakt. De in art. 2l WTCBO neergelegde informatieverplichting houdt verband met de verplichting van Buma/Stemra om transparant en non-discriminatoir te opereren bij het aangaan van licentieovereenkomsten met SVOD-aanbieders.
3.4.
In haar brief van 12 november 2025 en haar bij de mondelinge behandeling van 20 november 2025 voorgedragen spreekaantekeningen (onder de kopjes ‘Afschrift noodzakelijk’ en ‘Toegang tot onderliggende stukken’) gaat Disney ervan uit dat zij aanspraak heeft op een veel uitgebreidere kennisname van bescheiden dan in de eerste tussenbeschikking toewijsbaar is bevonden. Voor zover Disney hiermee heeft willen bepleiten dat het hof dient terug te komen van zijn bindende eindbeslissing op dit punt, ziet het hof daar geen aanleiding toe. Voor zover Disney hiermee de inhoud van de eerste tussenbeschikking heeft willen weergeven, gaat zij uit van een onjuiste lezing van die beschikking.
Afbakening inzage
3.5.
Na de eerste tussenbeschikking is nader debat gevoerd over de inhoud en de reikwijdte van het begrip ‘SVOD-aanbieders’ waarop de aan Disney te verstrekken gegevens zien. Partijen hebben na de mondelinge behandeling van 20 november 2025 geen overeenstemming hierover bereikt. Het hof overweegt daarover het volgende.
3.6.1.
Allereerst stelt het hof vast dat in de tussenbeschikking van de rechtbank van 5 oktober 2023 in rov. 3.5 is vastgesteld dat Disney’s verzoek niet strekt tot het geven van inzage in stukken die zien op lopende onderhandelingen van Buma/Stemra met SVOD-aanbieders. Disney is niet hiertegen opgekomen in hoger beroep en heeft haar verzoek ook niet gewijzigd. Daarmee dient tot uitgangspunt dat Disney’s verzoek niet ziet op bescheiden die zien op dergelijke lopende onderhandelingen.
3.6.2.
Uit de door Disney gegeven onderbouwing volgt dat haar primaire verzoek ziet op alle licentieovereenkomsten die Buma/Stemra heeft gesloten met SVOD-aanbieders, met inbegrip van (alle) in het verleden gesloten en reeds verlopen licentieovereenkomsten.
Disney heeft onvoldoende gesteld dat zij rechtmatig belang heeft bij inzage in de Gegevens met betrekking tot de tarieven die Buma/Stemra heeft aangeboden aan en overeengekomen is met SVOD-aanbieders voordat Disney eind 2018 de onderhandelingen met Buma/Stemra startte. Het hof zal hierbij 1 december 2018 als datum aanhouden. Dat voordien verlopen licentieovereenkomsten en/of conceptovereenkomsten en de correspondentie daarover mogelijk zouden kunnen ‘doorwerken’ in de daarna aangeboden en overeengekomen tarieven, is daartoe onvoldoende. Disney heeft alleen rechtmatig belang bij kennisname van de Gegevens uit de periode vanaf 1 december 2018 tot de datum van de eindbeschikking in deze procedure. Het gaat daarbij om de Gegevens met betrekking tot alle SVOD-aanbieders die op of na 1 december 2018 een licentieovereenkomst hadden/hebben met Buma/Stemra, met inbegrip van eventuele SVOD-aanbieders die in die periode een licentieovereenkomst hadden met Buma/Stemra en nu niet meer.
3.6.3.
Buma/Stemra bepleit een nadere temporele afbakening van de SVOD-aanbieders tot de SVOD-aanbieders met wie Buma/Stemra nu (of ten tijde van het geven van de eindbeschikking) een licentieovereenkomst heeft gesloten. Disney meent ten onrechte dat dit standpunt als strijdig met de twee-conclusieregel moet worden gepasseerd; het standpunt van Buma/Stemra bouwt voort op haar eerder ingenomen standpunten over de door Disney gevraagde inzage.
Het hof ziet geen aanleiding voor de door Buma/Stemra bepleite nadere temporele beperking. De in rov. 3.4-3.6 van de tussenbeschikking van de rechtbank van 5 oktober 2023 vervatte beslissing over wie (vooralsnog) als belanghebbenden moeten worden aangemerkt en de vraag welke SVOD-aanbieders zich hebben kunnen uitlaten over Disney’s verzoek, is in dit verband niet bepalend. Gezien de standpunten die Disney in deze procedure heeft ingenomen, heeft zij voorts niet beoogd met het in de tegenwoordige tijd gestelde ‘hanteert’ in haar primaire vordering onder b) dit onderdeel van haar vorderingen te beperken tot de ten tijde van de beslissing op haar verzoek geldende licentieovereenkomsten. Blijkens hun reactie op Disney’s verzoek hebben Buma/Stemra, Netflix en Apple dat ook zo begrepen.
3.6.4.
In de correspondentie na de mondelinge behandeling van 20 november 2025 heeft Disney gesteld dat de inzage moet zien op de Gegevens met betrekking tot 17 SVOD-aanbieders. Buma/Stemra, Netflix en Apple wijzen op de onderlinge verschillen tussen SVOD-aanbieders die hen slecht vergelijkbaar zouden maken met Disney+ en die ertoe moeten leiden dat zij buiten de reikwijdte van het te geven bevel vallen. Zij menen, zo begrijpt het hof, dat het relevante aantal lager is dan de door Disney genoemde 17 partijen.
Het debat over de vraag of inzage moet worden verleend in de Gegevens met betrekking tot de door Disney bedoelde 17 of minder SVOD-aanbieders, is niet voldoende uitgekristalliseerd. Partijen, eerst Disney, zullen zich daarover bij akte kunnen uitlaten.
De wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft
3.7.1.
Met inachtneming van de uitlatingen van partijen hierover, overweegt het hof het volgende over de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
3.7.2
Het hof ziet geen aanleiding om alleen inzage – dat wil zeggen het enkel bekijken van het originele stuk – te bevelen. Gezien de zeer beperkte reikwijdte van Disney’s recht op kennisname van de Gegevens, is dat praktisch ook niet goed uitvoerbaar; Disney zal immers naar verwachting alleen een woord, enkele woorden of een zinsnede mogen zien. Zoals hiervoor is overwogen, heeft zij geen aanspraak op enige kennisname van iets anders dan de Gegevens. Daartoe behoren ook de datering van de Gegevens, de namen van de SVOD-aanbieders of andere identificerende gegevens.
3.7.3.
Het hof zal bevelen dat Buma/Stemra een uittreksel moet verschaffen van de Gegevens. Zij zal dit uittreksel in papieren vorm dienen aan te leveren in de vorm van afschriften van de pagina’s uit de oorspronkelijke stukken waarin de Gegevens zijn vervat en prints van op een gegevensdrager aangebrachte gegevens (zoals e-mailcorrespondentie) (hierna tezamen: de Bescheiden), in beide gevallen dus niet uitgesplitst of gesorteerd per SVOD- aanbieder). Alle andere informatie dan de Gegevens moet ‘zwartgemaakt’ worden. Concreet: het gaat om volledig ‘zwartgemaakte’ papieren, afgezien van het woord, de woorden of de zinsnede waarin de Gegevens zijn vervat. Omdat Buma/Stemra mogelijk in verschillende talen heeft gecommuniceerd met de SVOD-aanbieders – waardoor mogelijk door de taal bepaalde Gegevens tot een of meer SVOD-aanbieders te herleiden zouden kunnen zijn – dient Buma/Stemra een lijst op te stellen van de in de Engelse taal gestelde Gegevens, met vertaling van eventueel in een andere taal gestelde Gegevens (hierna: de Lijst). Buma/Stemra dient de Bescheiden en de Lijst aan te leveren aan een onzijdig, verder tot geheimhouding gehouden persoon die de Gegevens op de Lijst kan controleren aan de hand van de Bescheiden. Alleen een afschrift van de Lijst zal vervolgens worden verstrekt aan Disney.
3.7.4.
In hun in 3.6.4. bedoelde aktes zullen partijen zich kunnen uitlaten over wie als onzijdige, verder tot geheimhouding gehouden persoon, kan worden aangewezen. Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om de eerder door partijen genoemde personen als zodanig te aan te wijzen. Deze persoon kan een registeraccountant zijn, maar bijvoorbeeld ook een deurwaarder.
3.7.5.
Het hof ziet geen aanleiding om te bepalen dat Disney of alleen haar advocaten alleen ten kantore van Buma/Stemra inzage verkrijgen in de Lijst. Het hof ziet ook geen aanleiding om de onzijdige, voor het overige tot geheimhouding verplichte persoon een grotere taak toe te kennen dan hiervoor is omschreven. Indien partijen toch de voorkeur daaraan geven, kunnen zij dat alsnog overeenkomen, bijvoorbeeld door (alsnog) de door Apple en Netflix voorgestelde procedure met inschakeling van een andere dan de door hen voorgestelde onzijdige, tot geheimhouding gehouden persoon af te spreken. Dat staat partijen vrij.
3.7.6.
Het hof acht oplegging van een vertrouwelijkheidsregime niet gepast of geboden. Kennisname van de Lijst met de Gegevens alleen door Disney is niet te verenigen met de transparantie die Buma/Stemra ook ten aanzien van andere SVOD-aanbieders moeten betrachten in het kader van de onderhandelingen. De aard en inhoud van de op de Lijst te verstrekken Gegevens vergen ook niet een vertrouwelijkheidsregime.
3.7.8.
De termijn voor inzageverlening zal worden bepaald op drie maanden na betekening van de eindbeschikking.
3.7.9.
Uit art. 843a lid 1 Rv volgt dat Disney de kosten moet dragen van het verstrekken van het uittreksel met de Gegevens door Buma/Stemra. Dit omvat ook de kosten van de onzijdige, verder tot geheimhouding gehouden persoon.
Geen cassatieverlof, eindbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
Het hof ziet geen aanleiding om cassatieverlof te verlenen. Wel overweegt het hof nu reeds dat de eindbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Het belang van Disney bij het snel verkrijgen van een uittreksel met de Gegevens legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van Buma/Stemra, Apple en Netflix bij het handhaven van de status quo totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan over de toewijsbaarheid van Disney’s verzoek. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vraag over de inhoud en reikwijdte van de, richtlijnconform uit te leggen, informatieverplichting van art. 2l WTCBO niet eerder door de Hoge Raad of – waar het gaat om de reikwijdte van art. 16 van Pro de Richtlijn – het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) is beantwoord. Ook acht het hof van belang dat de kennisname van de Lijst met de Gegevens door Disney onomkeerbaar is.
3.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
bepaalt dat partijen, eerst Disney, zich op 14 juli 2026 bij akte kunnen uitlaten over:
  • de vraag of Disney recht heeft op kennisname van de Gegevens met betrekking tot de door Disney bedoelde 17 SVOD-aanbieders of minder SVOD-aanbieders;
  • wie als onzijdige, verder tot geheimhouding gehouden persoon kan worden aangewezen.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gewezen door mrs. L. Alwin, E.M. de Stigter en J.L.M. Groenewegen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.