Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
- ambtshalve toetsend - onder meer geoordeeld dat de in de artikelen 4.2 en 4.3 van de algemene voorwaarden opgenomen huurprijswijzigingsbedingen oneerlijk zijn in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13/EEG (hierna: richtlijn oneerlijke bedingen). Hij heeft de bedingen vernietigd en geoordeeld dat de aanvangshuurprijs is blijven gelden. Er was ten tijde van dagvaarden geen huurachterstand, maar een (aanzienlijke) voorstand. Daarbij heeft [geïntimeerde] na dagvaarding ook nog een bedrag van € 2.212,80 onverschuldigd aan [appellant] betaald, aldus de kantonrechter.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
uitsluitendde waarde van de vordering waarover de kantonrechter diende te oordelen, bepalend is voor het antwoord op de vraag of tegen diens vonnis hoger beroep openstond. Voor de beoordeling in het kader van artikel 332 lid 1 Rv Pro is niet relevant of de rechtstitel waarop de vordering is gebaseerd de appelgrens te boven gaat. De omstandigheid dat het oordeel van de kantonrechter gevolgen heeft voor die rechtstitel brengt niet mee dat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZC1948, rov. 3.3 en ECLI:NL:HR:2002:AD9594, rov. 3.3).