Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
3. [appellant 3] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
3. [geïntimeerde 3] ,
4. [geïntimeerde 4] ,
5. [geïntimeerde 5] ,
6. [geïntimeerde 6] . ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
- primair dat [appellanten] niet onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit en de bouwcao’s vallen,
- subsidiair dat rechtsvorderingen tot betaling van premie die zien op de periode vóór 1 augustus 2018 zijn verjaard,
- tot betaling van de achterstallige premies, zoals in het petitum uiteengezet, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten, en
- tot verstrekking binnen twee maanden van elektronische loon- en premiegegevens op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 500.000,- en indien uit die gegevens blijkt dat de verschuldigde premie hoger is dan in het petitum uiteengezet, voor recht te verklaren dat [appellanten] verplicht zijn dat hogere bedrag te betalen,
- alles met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, vermeerderd met rente en nakosten.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op dienstverlening voor of aan derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten(…)’. Omtrent de uitleg van dit onderdeel van de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1102, rov. 3.3.2) de conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2024:437, randnummers 3.26-3.38) overgenomen. Daarin heeft de A-G – onder andere – geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als onderneming op het gebied van het bouw- en infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a, beslissend is welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden, niet welke werkzaamheden worden verricht binnen haar klantenkring, dus door de desbetreffende derden. Bij ‘dienstverlening’ (aan derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a gaat het om door die onderneming ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het ‘uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten’, en wel voor zover deze werkzaamheden niet draaien om het vervaardigen van goederen. Want dit laatste, dus dat vervaardigen van goederen ter zake, betreft naar de aard ‘productie’ (voor derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a.
NJ2007, 621), waarvan de strekking is dat de schuldeiser een specifieke kortere verjaringstermijn niet kan ontgaan door zijn vordering te baseren op een andere grond, te weten onrechtmatige daad. De Hoge Raad overwoog: