Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1605

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
23-000583-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 SvArtikel 13 AdvocatenwetEuropees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot uitstel behandeling wegens langdurig ontbreken rechtsbijstand in complexe strafzaak

In deze strafzaak speelt een langdurige impasse rond de rechtsbijstandverlening aan verdachte, die gedurende 19 van de 27 maanden in hoger beroep zonder advocaat zat. Diverse pogingen om advocaten te vinden, onder meer via de Raad voor Rechtsbijstand en de dekenberaad, mislukten ondanks intensieve inspanningen.

De nieuwe verdediging vroeg uitstel van de behandeling van minimaal 18 maanden om het omvangrijke dossier van circa 90.000 pagina's adequaat te kunnen bestuderen en zich goed voor te bereiden. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek, met name vanwege het ontbreken van regiemomenten tijdens de gevraagde voorbereidingstijd.

Het hof erkent het fundamentele recht op effectieve rechtsbijstand en stelt een tijdpad vast met een voorbereidingstermijn van 18 maanden vanaf 1 september 2026. Tegelijkertijd worden twee regiezittingen gepland in juni en december 2027 om voortgang te bewaken en verzoeken te behandelen. Hiermee wordt een balans gezocht tussen het recht op een eerlijk proces en het belang van een redelijke termijn.

Het hof benadrukt dat de verdediging zich bewust moet zijn van de gevolgen van eventueel voortijdig terugtreden en dat de professionele standaard van advocaten in acht moet worden genomen. De beslissing weerspiegelt de complexiteit van de zaak en de bijzondere omstandigheden rond de rechtsbijstandverlening.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot uitstel van de behandeling toe voor minimaal 18 maanden met twee regiezittingen in 2027.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000583-24 ( [R.T.] )
Tegenwoordig zijn:
mr. R. Veldhuisen, voorzitter,
mr. L.I.M. van Bergen en mr. S. Jongeling, leden,
en mr. A.F. van der Heide, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door de advocaat-generaal.
Overwegingen en beslissingen van het hof ter terechtzitting van 12 juni 2026.
De voorzitter deelt als overwegingen en beslissingen van het hof mede:

Het verzoek, en wat daaraan in de tijd vooraf is gegaan

Aan de behandeling van de zaak in hoger beroep kleeft het onderwerp van de continuïteit van rechtsbijstandverlening, beter gezegd: het ontbreken daarvan. De procedure in hoger beroep loopt nu ongeveer 27 maanden, waarvan het de verdachte 19 maanden (twee periodes, van vier en vijftien maanden) aan rechtsbijstand heeft ontbroken.
Dit onderwerp is met regelmaat en op verschillende manieren door het hof aan de orde gesteld. De reguliere strafvorderlijke weg is bewandeld (de procedure van artikel 40 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv)), strekkend tot aanwijzing van een raadsman door het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR), de voorzitter heeft gecorrespondeerd met de lokale deken en met het dekenberaad, en de verdachte heeft uiteengezet dat hij zelf niet meer erin slaagt zich in de strafzaak te doen bijstaan door advocaten. In de strafzaak, omdat de verdachte zich buiten het bestek van de strafzaak wél van rechtsbijstand verzekerd weet. Een door de verdachte op de voet van artikel 13 Advocatenwet Pro gedaan verzoek aan de deken tot aanwijzing van een advocaat is door het dekenberaad afgewezen. En twee advocaten verlenen hun diensten aan de verdachte, niet in de strafzaak maar in verband met penitentiairrechtelijke kwesties en procedures bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(EHRM).
Op 6 november 2025 heeft het hof de raadsheer-commissaris opgedragen het hof te voorzien van informatie over wat door de bevoegde autoriteiten is en nog wordt ondernomen teneinde uit de in deze zaak bestaande rechtsbijstandsimpasse te komen. Die informatie diende de raadsheer-commissaris naar eigen inzicht te vergaren, doch op aangeven van het hof bij (in elk geval) de RvR, de lokale deken, het dekenberaad van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), en bij functionarissen in de lijn naar het ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarbij heeft het hof met zoveel woorden aangegeven dat het vizier van de raadsheer-commissaris steeds gericht diende te zijn op het zicht in de tijd: wanneer geeft het bestuur van de RvR in de onderhavige zaak gevolg aan de door de advocaat-generaal op de voet van artikel 40 Sv Pro gedane mededeling? Het hof heeft toen de raadsheer-commissaris maximaal vier maanden de tijd gegeven voor het uitvoeren van deze opdracht.
Nadat het dekenberaad op 5 maart 2026 aan de raadsheer-commissaris te kennen heeft gegeven een extra termijn van acht weken nodig te hebben heeft dat dekenberaad op 4 mei 2026 verslag gedaan van de inspanningen en verrichtingen.
De kern van dat verslag is, dat de zoektocht naar het vinden van een team advocaten met het oog op rechtsbijstandverlening aan de verdachte is mislukt, onder verwijzing naar twee onorthodoxe en unieke oproepen. In augustus 2025 is aan alle leden van de Nederlandse Vereniging Van Strafrechtadvocaten (NVSA) en in december 2025 nogmaals, toen aan alle in Nederland geregistreerde advocaten, de oproep gedaan zich te melden met het oog op rechtsbijstandverlening aan de verdachte. Weliswaar zijn door dat dekenberaad met advocaten verkennende gesprekken gevoerd, doch uiteindelijk zonder resultaat.
Daarnaast heeft het dekenberaad gewezen op een resultaat dat wél is bereikt: versnelde vooruitgang is geboekt in de ontwikkeling van een concept-kader dat ziet op rechtsbijstandverlening in impactvolle zaken. Volgens mededeling van dat dekenberaad beschrijft dat kader de randvoorwaarden waaronder advocaten hun werk veilig, onafhankelijk en verantwoord kunnen doen, onder meer op het gebied van teamvorming, veiligheid, financiering, organisatorische en mentale ondersteuning en communicatie.
Op de terechtzitting van 18 mei 2026 is deze stand van zaken door het hof in aanwezigheid van de verdachte onder ogen gezien: wél een kader, maar in deze zaak geen invulling daarvan. Op die terechtzitting werd de verdachte wél door een gelegenheidsraadsman (te weten: uitsluitend bijstand op die terechtzitting) bijgestaan, namelijk mr. Van Berge Henegouwen die eerder in de strafzaak de verdachte als zijn raadsman heeft bijgestaan, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
Bij die gelegenheid heeft die raadsman namens de verdachte met zoveel woorden betoogd dat de advocaten voor het oprapen liggen. Die toenmalige raadsman citerend: ‘
Voorzitter, edelgrootachtbaar college, zodra een advocaat weer écht advocaat mag zijn, dan staan de advocaten die [R.T.] willen verdedigen daar ook weer voor in de rij’. Het is dankzij zijn contacten met de twee raadslieden die vandaag ter terechtzitting zijn verschenen dat mr. Van Berge Henegouwen zich geïnspireerd wist om op 18 mei jl. toch en in zoverre eenmalig (en andermaal) de verdachte als zijn raadsman bij te staan.
Als slotsom is door die raadsman op die terechtzitting van 18 mei jl. verwoord dat de advocaten die de verdachte willen verdedigen ‘
echt de tijd moeten krijgen om het strafdossier van 90.000 pagina’s goed te lezen. Pas daarna kan van een advocaat verwacht worden dat die het echte advocatenwerk doet, zoals het opstellen van onderzoekswensen of het verhoren van getuigen. Als de rechtspraak de rol van de advocaat anders blijft zien, dan blijft de impasse voortduren.’
Het hof maakt de tussenbalans op, en die is opmerkelijk.
Aan de ene kant is er in de zaak een even hardnekkige als langdurige verdedigingsimpasse. In dat verband doet het dekenberaad in de maand mei 2026 verslag van zijn intensieve inspanningen: wél een kader voor rechtsbijstandverlening in impactvolle zaken heeft het licht gezien, maar ondanks een zeer intensieve zoektocht naar advocaten vanaf de maand juni van 2025 is, ondanks dat kader, het realiseren van rechtsbijstandverlening aan de verdachte niet gelukt.
Aan de andere kant verschijnt de gelegenheidsraadsman, die zich met het oog op één zitting namens de verdachte een visie geeft op het probleem van het ontbreken van rechtsbijstand ter terechtzitting. Daarbij is door hem in de kern de stelling betrokken dat het vinden van raadslieden voor de verdachte juist in het geheel geen probleem is, mits het hof wat inleestijd betreft zuinigheid inruilt voor ruimhartigheid. Of zoals die raadsman zijn betoog samenvatte: het hof moet over de eigen schaduw heenstappen. Zo al gesproken kan worden van een schaduw die over het kunnen bieden van rechtsbijstand is geworpen, uit het navolgende zal blijken dat geen schaduw door het hof is geworpen.
De advocaten mrs. Slijters en Van der Horst hebben vervolgens als nieuw aangetreden raadslieden hun optreden ter terechtzitting vooraf aangekondigd. Door hen is verzocht “ (…) het woord te kunnen voeren en verzoeken te kunnen doen met betrekking tot de voortgang van de zaak en de voorwaarden, waaronder wij bereid en in staat zullen zijn ook in het vervolg van de behandeling als raadslieden van de heer [R.T.] te blijven optreden.”
Door deze raadslieden is ter terechtzitting en aan de hand van schriftelijke notities uiteengezet dat de verdediging door hen slechts dan effectief kan worden gevoerd dan nadat aan hen de gelegenheid is geboden voor een behoorlijke voorbereiding daarvan.
Tot die voorbereiding dient inleestijd te worden gerekend, die door hen is begroot op een periode van minimaal 18 maanden, te rekenen vanaf 1 september as. Die inleestijd impliceert voor hen het uitstel van behandeling van de zaak. Op voorhand is hun rechtsbijstandverlening voorwaardelijk gemaakt: in het geval van (gedeeltelijke) afwijzing door het hof van het verzoek zullen zij zich zonder meer aan de zaak onttrekken. Na een gedachtewisseling ter terechtzitting over de (on)mogelijkheid van het houden van één of meer regiezittingen tijdens de door hen als inleesperiode gevraagde tijd is door de verdediging te kennen gegeven dat in beginsel de bereidheid bestaat om tussentijds regie-verzoeken te formuleren. Door de verdediging is als verklaring voor de terughoudendheid ter zitting verwoord dat vermeden dient te worden dat de verdediging vóór maart 2028 wordt geconfronteerd met proceshandelingen waaraan voor de verdediging nadelige gevolgen kunnen kleven.
Daarnaast is ministeriële toestemming voor het kunnen hebben van geprivilegieerd contact met de (in de EBI te Vught) gedetineerde verdachte door hen als randvoorwaarde voor hun voortgezette optreden geformuleerd.

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet, mede aan de hand van en onder verwijzing naar wat door hem aan de hand van zijn schriftelijke aantekeningen naar voren is gebracht. Dat verzet spitst zich in het bijzonder toe op het uitblijven van enig regiemoment tijdens de periode die door de raadslieden voor hun voorbereidingstijd is begroot. Benadrukt is dat de regievoering bij het hof en niet bij de verdediging ligt.

Beoordeling hof

Inleidend
Bij gelegenheid van het aantreden van een vorig verdedigingsteam (gevormd door mrs. Shukrula en Crince le Roy, en vanaf 5 februari 2025 ook mr. Kat) in de zaak, heeft het hof in januari 2025 overwegingen en beslissingen gegeven naar aanleiding van het door die verdediging gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling met het oog op het kunnen voorbereiden van de verdediging. [1] Daarbij heeft het hof het voor beoordeling van het verzoek relevante juridisch kader uiteengezet, en is in het spoor van rechtspraak van het EHRM stilgestaan bij de aard van de onderhavige procedure, de complexiteit van de zaak, en de fase waarin de procedure tegen de verdachte zich bevindt.
Concluderend heeft het hof toen afsluitend overwogen als volgt, met weglating van voetnoten:
“Al de voorgaande factoren in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat de door de verdediging verzochte voorbereidingstijd van zestien maanden alvorens een of meer nadere regiezittingen te houden, in redelijkheid niet kan worden gehonoreerd. Het zij herhaald dat het recht op effectieve rechtsbijstand een fundamenteel recht van de verdachte is en dat ook het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging een van de kenmerken van het recht op een eerlijk proces is, maar met het hierna beschreven tijdpad worden deze rechten voldoende gewaarborgd. Het hof onderstreept op deze plaats, dat van de rechtsgeleerde verdediging redelijkerwijs kan en mag worden verwacht dat zij, in tijd bezien, de voorbereiding van de verdediging afstemt op wat de stand van het geding voor de behandeling daarvan meebrengt en aldus zaakinhoudelijke accenten legt. Concreet en bij wijze van voorbeeld: voor het als verdediging gericht kunnen bevragen van de TBG-officier van justitie als getuige bij gelegenheid van diens (tweede) verhoor, is het niet een voorwaarde dat eerst van al hetgeen in de onderliggende zaaksdossiers is gerelateerd in detail is kennisgenomen. Hetzelfde heeft te gelden voor de onderwerpen die in eerste aanleg aan gevoerde rechtmatigheidsverweren ten grondslag zijn gelegd, zoals de gang van zaken rondom de overbrenging van de verdachte vanuit de Verenigde Arabische Emiraten (Dubai) naar Nederland, of die Dubai-observatie. Reeds bij lezing van het vonnis waarvan beroep, en – in het verlengde daarvan – bij kennisneming van de relevante onderdelen van het dossier, laten zich bij de rechtsgeleerde lezer daarvan al snel onderwerpen formuleren die zich desgewenst lenen voor (nadere) bevraging door de verdediging, ook als dat dossier nog niet integraal en in ieder onderdeel door de rechtsgeleerde lezer daarvan is geabsorbeerd. Het hof heeft ook acht geslagen op de voorbereidingstijd die is gegund aan nieuw aangetreden raadslieden die als opvolgende verdediging rechtsbijstand verlenen in zaken tegen medeverdachten, die gelijktijdig met de zaak tegen de verdachte worden behandeld. Tot slot maar niet in de laatste plaats is nog van belang dat de raadslieden het (digitale) dossier – naast al hetgeen door de voormalige verdediging aan dossier is overgedragen – reeds op 13 november 2024 (nogmaals) als verdediging van het hof hebben ontvangen.”
Voorts heeft het hof een overweging ten overvloede gegeven, die ook op deze plaats niet zonder betekenis is.

Overweging ten overvloede
Weliswaar ten overvloede maar niet zonder het leggen van nadruk overweegt het hof nog het volgende.
Hierboven heeft het hof het verloop van de rechtsbijstandverlening aan de verdachte in de tijd beschreven, en heeft het uiteengezet dat en waarom de continuïteit daarvan zorgwekkend is. Als gezegd is de verdachte, kennelijk parallel aan de inspanningen die de RvR en de lokale deken van de NOvA zich hebben getroost om te komen tot aanwijzing van advocaten met het oog op het voeren van verdachtes verdediging, alsnog erin geslaagd om twee advocaten te kiezen met het oog op hun rechtsbijstandverlening in deze strafzaak. Zij zijn het, die zich vervolgens als zijn gemachtigde raadslieden hebben gesteld, en ter terechtzitting van 16 december 2024 verzoeken hebben gedaan, waarop het hof heden de beslissingen geeft. Die verzoeken zien in de kern op het tijdskader waarin (de voorbereiding en organisatie van) die rechtsbijstandverlening zijn beslag heeft te krijgen. Het hof heeft de op het spel staande belangen onderkend, in hun onderlinge samenhang gewogen, en heeft dat tijdskader beredeneerd vastgesteld, zoals hiervoor weergegeven.
Het hof verstaat met zoveel woorden, dat de verdediging zich terdege rekenschap geeft van de implicaties van dat tijdskader voor de uitvoering van de door ieder van hen aanvaarde opdracht van de verdachte tot zijn rechtsbijstandverlening. Immers, weliswaar staat buiten kijf dat bij de aanvaarding en uitvoering van die opdracht aan ieder van hen een zeer grote professionele vrijheid toekomt, maar die vrijheid is niet onbegrensd. Zo is – naast in het maatschappelijk belang dat het hof hiervoor heeft benoemd – een begrenzing gelegen in de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld, en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen zijn beroepsgroep als professionele standaard geldt. Daartoe rekent het hof op deze plaats ook, dat door ieder van hen als professional metterdaad onder ogen wordt gezien welke implicaties voor ieder van hen kleven aan die rechtsbijstandverlening in de onderhavige zaak, waaronder het effect daarvan op de eigen praktijkvoering. Immers, zoveel als mogelijk dient te worden voorkomen dat (ook) deze raadslieden zich onverhoopt genoodzaakt voelen de verdediging in deze gedingfase op termijn neer te leggen, terwijl dat neerleggen redelijkerwijs al nú voor ieder van hen voorzienbaar is, bijvoorbeeld vanwege het door het hof vastgestelde tijdskader en de mogelijk door hen ervaren last die op de professionele schouders van ieder van hen rust.”
Dát een raadsman zijn verdediging behoorlijk dient te kunnen voorbereiden staat vast en is in zoverre niet een onderwerp van debat. De hierboven weergegeven overwegingen van het hof wijzen voor de lezer daarvan uit, dat met het – in én buiten de zittingszaal – louter hameren op de in het (geschatte) aantal pagina’s uitgedrukte omvang van het dossier evident wordt voorbijgegaan aan het beoordelingskader, zoals het hof dat heeft te hanteren bij zijn beoordeling van het verzoek. [2] Bovendien is daarmee miskend wat van de advocaat als professional mag en ook moet worden verwacht. En dat is aanzienlijk meer dan het herhaald opgeroepen karikaturale beeld van de advocaat als de onwetende lezer, die aanhikt tegen een figuurlijke stapel van 90.000 enkelzijdig bedrukte vellen papier.
Het verzoek
Het verzoek, dat strekt tot aanhouding van de behandeling voor de duur van minimaal anderhalf jaar, is naar de letter absoluut en naar de inhoud onwrikbaar, mede gelet op die twee daaraan verbonden voorwaarden. Blijkbaar kiest de verdediging ervoor het hof voor het blok te zetten: een onwrikbare eis, gepresenteerd als een verzoek. En naar het hof begrijpt adresseert de verdediging de minister van Justitie en Veiligheid op gelijke wijze: een de verdediging onwelgevallige beslissing van de minister impliceert voor de verdediging het neerleggen daarvan.
Ter terechtzitting hebben de door de verdachte gekozen raadslieden het verzoek nader onderbouwd en toegelicht. Door hen is – zakelijk weergegeven – onder meer aandacht gevraagd voor de eigen positie van de verdediging als procesdeelnemer, bezien in het perspectief van de positie van het Openbaar Ministerie en van het hof. Mede tegen die achtergrond en gelet op het soortelijk gewicht van de zaak en wat daarmee samenhangt, is het hoe en waarom van de ferme formulering van het verzoek, waaraan die twee randvoorwaardelijke voorwaarden zijn verbonden door hen uiteengezet. Daarbij is aandacht gevraagd voor de onderscheidende aspecten die aan de onderhavige strafzaak kleven, waaronder de dossieromvang, de complexiteit (zowel in de zaak, als wat daarmee mogelijk samenhangt), de aard en ernst van de verdenkingen en de door de rechtbank opgelegde straf.
De verdediging heeft met zoveel woorden hardop als haar intentie uitgesproken, dat deze verdediging de verdachte gedurende de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep van deskundige rechtsbijstand wil voorzien, en die rol ook wil blijven vervullen, totdat het hof eindarrest in zijn zaak heeft gewezen. Het stellen van die randvoorwaarden is nodig om die bijstandverlening in deze zaak op een verantwoorde manier te (blijven) vervullen, aldus de verdediging.
Het hof stelt bij de beoordeling van het verzoek van de verdediging andermaal voorop, dat het recht van de verdachte om zich in een strafproces effectief te verdedigen, al dan niet met rechtsgeleerde bijstand van een advocaat, een groot goed is. Dit recht is verankerd in niet alleen het Wetboek van Strafvordering, maar bovenal in internationale verdragen, in het bijzonder het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het hof verwijst ook op deze plaats naar wat het in januari 2025 heeft ten aanzien van het juridisch kader heeft overwogen naar aanleiding van het door de vorige verdediging gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling met het oog op het kunnen voorbereiden van de verdediging. [3]
Het verzoek laat zich strafvorderlijk kwalificeren als een verzoek tot aanhouding van de behandeling. In wezen strekt het verzoek tot een zodanige vormgeving van de behandeling van de zaak door het hof, dat de verdediging zich bij die vormgeving voldoende toegerust acht om aan de verdachte op adequate wijze rechtsbijstand te verlenen.
Door de toelichting op het verzoek en gelet op wat ter terechtzitting is verhandeld toont het hof zich op de hoofdlijn gevoelig voor wat door de verdediging naar voren is gebracht. Een wachttijd van 18 maanden alvorens de inhoudelijke behandeling (in de betekenis van de bespreking van de zaakdossiers met de verdachte ter terechtzitting) is op zichzelf beschouwd (erg) lang, maar laat zich op dit moment in deze zaak rechtvaardigen.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd valt echter niet in te zien dat niet kan worden gevergd dat die voor voorbereiding gereserveerde periode zich verdraagt met het ook houden van een of meer regiezittingen. Daarom zal het hof, anders dan door de verdediging wordt voorgestaan, twee regiezittingen agenderen, op nader te bepalen dagen in de maanden juni en december 2027.
Die zittingen kunnen door de verdediging worden benut voor het doen van verzoeken, tot het doen waarvan de verdediging in staat moet worden geacht. Daarbij kan worden gedacht aan onderwerpen die door het hof (niet uitputtend) zijn genoemd in zijn overwegingen, neergelegd in het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 juli 2024. [4] Het hof verstaat, dat de verdediging tijdig voorafgaand aan die (regie)terechtzittingen in concreto kenbaar maakt of, en zo ja welk nader onderzoek de verdediging voorstaat. Denkbaar is dat (ook) de advocaat-generaal en het hof onderwerpen doet agenderen c.q. agendeert, waarover verzoeken kunnen worden gedaan.
En met de vormgeving zoals geschetst is een door de verdediging aan het verzoek verbonden voorwaarde niet geheel vervuld, en komt daarmee het door hen aangekondigde zich onttrekken aan de zaak voor hen in beeld. Een mogelijke uitkomst die, gelet op de in deze zaak op het spel staande belangen, als betreurenswaardig moet worden gekwalificeerd. Het hof verwacht dat de verdediging zich terdege rekenschap geeft van de betekenis van dat onverhoopte onttrekken – met name richting hun cliënt –, te meer omdat aan de wens van de verdediging in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen.
Al het voorgaande brengt het hof tot het volgende. Met het oog op de gelegenheid van voorbereiding stelt het hof een tijdpad vast, waarbij het hof is uitgegaan van de door de verdediging gekozen aanvangsdatum van 1 september 2026, en houdt het hof rekening met een termijn van vooralsnog 18 maanden. Vooralsnog, omdat denkbaar is dat lopende die voorbereiding het inzicht van de verdediging en/of het hof voortschrijdt. En dat kan een aanleiding zijn om op termijn nader te preciseren, zowel door verschuiving in de tijd (voorwaarts of achterwaarts) als ten aanzien van zaakinhoudelijke aspecten. Voorts zullen in afwijking van wat door de raadslieden is verzocht hieraan al tijdens die periode van voorbereiding in elk geval twee regiezittingen worden gehouden, in de maanden juni en december van het jaar 2027. Daarbij gaat het hof in redelijkheid ervan uit dat in de regieronde in juni 2027 verzoeken worden gedaan c.q. onderwerpen worden geagendeerd, die bij toewijzing daarvan verzoeken om rechtshulp nodig maken.
Het hof heeft zich bij zijn beoordeling van het verzoek rekenschap gegeven van het grote belang van het recht op effectieve rechtsbijstand voor de verdachte en nadrukkelijk in aanmerking genomen dat de zoektocht naar nieuwe raadslieden voor de verdachte – na het terugtreden van mrs. Shukrula, Crince Le Roy en Kat –, via verschillende routes, tijdrovend is geweest en bovendien zonder succes. Dat maakt mede dat het hof thans deze beslissing geeft. In het licht van de eerdere beslissing van het hof van 9 januari 2025 zal deze beslissing op het eerste gezicht wellicht enigszins verbazen, omdat een eerste regiezitting pas in juni 2027 wordt bepaald en de inhoudelijke behandeling niet eerder dan ná maart 2028. Gelet op de onderbouwing van het verzoek en de ontwikkelingen die zich sinds het terugtreden van het laatste verdedigingsteam hebben voorgedaan, acht het hof deze beslissing echter aangewezen.
Met dit tijdpad en deze vormgeving van de voortgang van de behandeling van verdachtes strafzaak wordt én het recht van de verdachte op effectieve rechtsbijstand én het maatschappelijke belang dat een strafzaak binnen een redelijke termijn wordt afgedaan, gewaarborgd.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam, 9 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:40
2.Dat het hof aldus – in de woorden van de gelegenheidsraadsman, in het beroepschrift ex artikel 13 van Pro de Advocatenwet –
3.Hof Amsterdam, 9 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:40
4.Hof Amsterdam 19 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2053