Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
artikel 6:230x BW van toepassing zijn. Afdeling 7:2A BW vormt de implementatie van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna: Richtlijn consumentenkrediet). Daarvan zijn in deze zaak de artikelen 5, 6 en 8 van belang. De precontractuele informatieverplichtingen van artikel 5 en Pro 6 Richtlijn consumentenkrediet en de verplichting van artikel 8 bepalen Pro dat de kredietwaardigheid van de consument moet worden getoetst en zijn geïmplementeerd in artikel 7:60 BW Pro respectievelijk artikel 4:34 lid 1 Wft Pro.
- bankafschriften over de maand juni 2018 van [geïntimeerde] ;
- screenshots van de salarisbetalingen over de maanden juni en juli 2018;
- een salarisspecificatie over de maand juni 2018;
- eigendomsinformatie uit het Kadaster met betrekking tot de toenmalige woning en hypotheek van [geïntimeerde] ;
- een netto inkomensberekening; en
- een gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets.
aktealsnog met bewijsstukken te onderbouwen dat het ESIC-formulier geruime tijd voordat [geïntimeerde] werd gebonden aan hem is verstrekt. Indien Intrum hierin slaagt, zal haar vordering alsnog worden toegewezen.
aktetevens - uitsluitend voor het geval de overeenkomst zal worden vernietigd - aan de hand van een specificatie te onderbouwen welk bedrag er nog openstaat aan hoofdsom, nadat de reeds door [geïntimeerde] betaalde rente en kosten in mindering zijn gebracht.
7.Beslissing
23 juni 2026voor het nemen van een akte aan de zijde van Intrum als bedoeld onder 6.9 en 6.11;